Kemphanen

In 1965 vlamde de vete tussen Hein Donner en Lodewijk Prins zo fel op dat ook mensen van buiten de schaakwereld er lucht van kregen. Prins was dat jaar kampioen van Nederland geworden in afwezigheid van Donner, die zijn toorn richtte op de Nederlandse schakers die dit hadden laten gebeuren en op Prins, die geen paard van een loper zou kunnen onderscheiden en `de allerslechtste schaker van de hele wereld' was. Door een vereniging van Nederlandse sportjournalisten werd Donner vervolgens uitgeroepen tot de onsportieveling van het jaar.

Prins en Donner hadden het al vaak aan de stok gehad en het was niet voor de grap. Ze konden elkaar werkelijk niet luchten of zien en het was allemaal begonnen in 1951, toen ze in Den Haag een match van zes partijen speelden.

De Haagse schaakclub Discendo Discimus bestond in 2002 150 jaar en het sterkste clublid Hein Donner zou dat jaar 75 zijn geworden, als hij nog geleefd had. Een van de herdenkingsactiviteiten was de uitgave van een boekje in kleine oplage met de titel Donner koning Euwe keizer Prins prins. Het gaat over de korte matches die Donner in 1950 tegen Euwe en in 1951 tegen Prins speelde. Van Euwe verloor hij met 2,5-1,5, maar Prins werd overtuigend verslagen met 4,5-1,5.

Het is een aardig boekje, ook al is er hard toegeslagen door een creatieve vormgever, die gesel van het boekenvak. Alexander Münninghoff schetst de achtergrond van de matches op de van hem te verwachten onderhoudende manier, maar er moet me toch van het hart dat hij een – overigens sympathieke – blinde vlek heeft: Prins kan bij hem geen kwaad doen.

We lezen wat Prins in Het Parool schreef na de match die hij zo hardhandig verloren had. Vijf keer was hij de aanvaller geweest, Donner slechts één keer. De derde partij had Donner met een eenvoudige zet moeten verliezen en in de vijfde partij was het niet veel anders, aldus Prins. Wie de partijen naspeelt ziet dat niets van dit alles waar is.

Hoe had Donner eigenlijk zo dik kunnen winnen, als hij slechts één keer de aanvaller was geweest, in een partij die hij overigens niet eens gewonnen had? Prins schreef het toe aan Donners goede wedstrijdmentaliteit. Dat Donner het spel misschien beter begreep was ondenkbaar.

Münninghoffs commentaar op dit artikel is: ,,Ridderlijk, zo mag hier wel geconstateerd worden, verleent Prins de palmares aan zijn jeugdige overwinnaar.''

Ik kan het navoelen dat Donner deze `ridderlijkheid' moeilijk kon velen. Er kan bij Prins overigens geen sprake zijn geweest van bewuste misleiding van zijn Paroollezers. Hij meende het allemaal echt en dat moet voor Donner nog het ergste zijn geweest.

Wit Donner- zwart Prins, zesde matchpartij, 1951

1. d2-d4 Pg8-f6 2. c2-c4 d7-d6 3. Pb1-c3 Lc8-f5 4. f2-f3 e7-e5 5. e2-e4 e5xd4 6. Dd1xd4 Lf5-e6 7. b2-b3 Lf8-e7 8. Lc1-b2 0-0 9. Pc3-d5 Ook toen had Donner weinig gevoel voor gevaar. Na zijn laatste zet krijgt zwart een grote voorsprong in ontwikkeling. 9...Le6xd5 10. c4xd5 c7-c6 11. Dd4-d2 c6xd5 12. e4xd5 Pb8-d7 13. Pg1-e2 Pd7-b6 Hier staat het paard de zwarte dame in de weg. Na 13...Te8 of 13...Tc8 was wit er minder makkelijk afgekomen. 14. Pe2-c3 Het staat nu ongeveer gelijk en de opmerking van Prins (in de Groene Amsterdammer) dat 14...Dc7 `de beste manier was om wits speculatie te weerleggen' is ongegrond. 14...Pf6-h5 15. g2-g3 Le7-f6 16. Lf1-g2 Tf8-e8+ 17. Ke1-f2 Dd8-c7 18. Th1-d1 Dc7-c5+ 19. Kf2-f1 a7-a5 20. Ta1-c1 a5-a4 21. g3-g4 a4xb3 22. a2xb3 Lf6xc3 23. Lb2xc3 Dc5-b5+ 24. Kf1-g1 Ph5-f6 25. Lc3xf6 g7xf6 26. Lg2-f1

jmMmjmlm

mgmMmgmg

MbMaMaMm

mkmGmMmM

MmMmMmGm

mGmMmGmM

MmMEMmMA

mMDJmIFM

Zwart heeft zich in moeilijkheden gebracht. Volgens Prins was er na 26...Dd7 `niets noemenswaardigs aan de hand geweest' en hij gaf twee varianten waarin hij nog net het hoofd boven water houdt, met commentaren die de indruk wekken dat eerder zwart beter zou staan. Een blik op de diagramstelling is genoeg om te beseffen dat in werkelijkheid wit ook na 26...Dd7 groot voordeel zou hebben. 26...Db5-a5 Dit verliest simpel. 27. Dd2-h6 Pb6xd5 28. Lf1-d3 Da5-b6+ 29. Kg1-h1 Db6-e3 30. Dh6xh7+ Kg8-f8 31. Ld3-e4 Pd5-e7 32. Tc1-c7 Ta8-a5 33. Dh7-h8+ Pe7-g8 34. Dh8-h7 34. g5 won meteen. Zwart kan de pion op geen enkele manier slaan en na 34...f5 beslist 36. Dh8+ Pg8 37. g6 34...De3xb3 35. Td1-b1 Db3-e6 36. Tb1xb7 Ta5-a1+ 37. Kh1-g2 Ta1-a2+ 38. Kg2-h3 Te8-e7 39. Tc7xe7 Pg8xe7 40. Tb7-b8+ En hier kon wit snel mat geven met 40. Dh6+ Kg8 41. Lh7+ 40...Pe7-c8 41. Dh7-h8+ Kf8-e7 42. Dh8xc8 Zwart gaf op.

    • Hans Ree