`Ik ga jou steken, man!'

Hoe is het om te wonen op de grens met een achterstandswijk in Rotterdam? Beeldend kunstenaar Paul van den Berg woont nu ruim zeven jaar in Kralingen en ondervond aan den lijve wat `kleine criminaliteit' is. Hij maakte er een rapport van. Een ooggetuigeverslag. `Op zondagmorgen wordt een straat verderop een auto opgeblazen.'

Beeldend kunstenaar Paul van den Berg (38) woont sinds 1995 in Rotterdam. Hij is getrouwd met een Chinese vrouw en heeft een dochtertje van tien maanden. Hij woont in Kralingen-West in een oud schoolgebouw, dat hij verbouwde tot een bedrijfsverzamelgebouw. Het gebouw staat op de scheidslijn van twee werelden. Aan de ene kant een wijk met eigen-huiseigenaren en aan de andere kant een achterstandswijk met veel allochtone bewoners. Hij is betrokken en zet zich in voor de buurt. Achter zijn werktafel ziet hij `van alles'. Een beknopte en gecomprimeerde weergave van zijn dossier van zeven jaar leven in de grote stad.

Het is 1995. Ik woon net in Rotterdam. Mijn blanke overbuurjongen van twaalf gooit in opdracht van zijn moeder een oude matras in mijn voortuin. Ik zeg er wat van en trek daarmee de aandacht van deze familie. In de jaren erna krijg ik onder meer koelkasten, wasmachines en brommerwrakken in mijn voortuin.

Als 15-jarige rijdt dezelfde buurjongen elke zondagmiddag, elk half uur een kwartier knetterend over het plein. Steeds als ik hem vraag of hij daar alsjeblieft mee wil stoppen, probeert hij een vechtpartij uit te lokken. Een buurman krijgt na eenzelfde verzoek een harde klap op zijn neus. Eenmaal dreigt de buurjongen mij zelfs dood te schieten. Hij grijpt in zijn binnenzak, maar wordt door zijn Marokkaanse vriendjes tegengehouden.

Diezelfde buurjongen, inmiddels zestien, steelt met een vriendje beide spiegels van een gloednieuwe BMW van een van mijn klanten. Ik ga dan goed opletten en ik ontdek dat de jongen bij een clubje van vijf Marokkaanse leeftijdgenoten hoort. Ze houden zich in georganiseerd verband bezig met het kraken van auto's en andere criminele activiteiten. Ik heb deze jongens zelf al drie keer betrapt op autokraken. Ik heb dat elke keer gemeld bij de politie, maar die kunnen daar alleen een `mutatie' van maken. God mag weten wat dat is.

Op een zaterdag gooit het zevenjarig neefje van de buurjongen een ruitje in van mijn woonkamer. Terwijl ik dat neefje ernstig toespreek, komt de buurjongen, nu 17, mij bespugen. Hij wil weer met mij vechten. Met een kettingslot slaat hij mij een paar keer om mijn hoofd. Ik wring het slot uit zijn handen en jaag hem weg. Dan schiet zijn hele familie hem te hulp. De buurjongen gooit tweemaal een stoeptegel naar mijn hoofd en eentje door het raam. Zijn zus graait het kettingslot uit de gang en geeft het weer aan haar broer. Mijn vrouw, die gealarmeerd door het lawaai naar buiten komt, krijgt van de buurjongen zo'n zwieper met het slot, dat ze kermend op de grond valt. De tante van de buurjongen rukt mijn poloshirt van mijn lijf. Zijn moeder staat er bij te kijken alsof het normaal is. Mijn bril is ernstig verbogen, ik heb een diepe vleeswond aan mijn onderarm. Het been van mijn vrouw heeft twee weken lang alle kleuren van de regenboog. De entreehal is beschadigd door de stoeptegels. Er zijn vier ruiten kapot en het parket heeft diepe butsen. De materiële schade bedraagt ongeveer 1.500 euro.

De politie maakt er tot mijn verbazing werk van. De buren moeten mij 300 euro schadevergoeding betalen. Ze doen daar een jaar over. Al die tijd word ik door justitie op de hoogte gehouden van de vorderingen in deze zaak. Elke keer als de buurjongen een brief krijgt, krijg ik er ook een. En na elke justitiële brief wordt er nog diezelfde week iets aan mijn auto vernield, altijd 's nachts: de antenne of een spiegel afgerukt, een raam van een portier ingeslagen of een lange diepe kras in mijn voorruit getrokken.

Eind 2001 was eindelijk de schadevergoeding afbetaald en wordt het bedrag door justitie aan mij overgemaakt. Op een middag roept de tante van de jongen mij toe: ,,Jij hebt óns te pakken gehad, we pakken je nu snel terug!'' Op oudejaarsnacht breekt de buurjongen met zijn vriendjes mijn bestelauto open, plaatst een lawinebom onder de gastank en blaast mijn auto op. Mijn auto staat bol als een volle rubberen waterkruik en is volledig vernield. Ik moet vijf keer bellen, voordat er negen uur later een agent langskomt.

De politie beweert weer dat zij niets kan doen, ook al wordt in de daarop volgende weken duidelijk dat de buurjongen en zijn vriendjes de daders zijn. Politie is er zelf van overtuigd dat het hier om een persoonsgerichte aanslag gaat. Maar verder dan een aangifte gaat het nooit. Ik heb eigenlijk nog geluk gehad, zegt een agent, omdat de volle gastank niet is ontploft. De auto stond die nacht vlak voor de gevel van mijn huis.

De schade van 2.500 euro vergoedt mijn verzekeraar niet. Nadat ik twee maanden later een andere bestelbus heb gekocht, beginnen de vernielingen opnieuw. Ruim anderhalf jaar na de vechtpartij wordt de buurjongen, nu 18, veroordeeld voor mishandeling. De straf: 100 euro boete en twee dagen voorwaardelijke celstraf.

Het jaar 2002 verloopt relatief rustig. Maar twee dagen voor oudejaarsdag roept het Marokkaanse vriendje van de buurjongen op straat: ,,Hé lul, over een paar dagen gaat je nieuwe auto er weer aan, hoor!'' Ik doe aangifte, maar krijg wederom te horen dat de politie er niets mee kan. Ik vraag: ,,Kunt u die knaap niet onder druk zetten, zodat u de bomaanslag van vorig jaar oplost?'' Nee, die ruimte hebben ze niet. Daar moet ik het mee doen. De duimschroeven zijn al lang geleden omgesmolten tot presse-papiers, waarmee de politie alleen zijn eigen stapel beleidsnotities onder druk zet.

Naast het dossier `buurjongetje' was er meer. Al op mijn allereerste dag in 1995 maak ik tijdens het verhuizen kennis met Rotterdam. Mijn auto staat pal voor de deur. Voordat we gaan uitladen, willen we even koffiedrinken. Na terugkomst blijkt dat mijn auto is opengebroken en alles is gestolen.

Op een mooie zomerdag komt via de openstaande tuindeur een junkie mijn keuken en woonkamer binnen. Als hij mij ziet, smeert hij hem. Later blijkt mijn fototoestel verdwenen.

Op een nacht wordt, vijftig meter voor mijn huis, midden op het kruispunt, een man in zijn auto doodgeschoten. De auto staat in zijn vrij en de anonieme dode hangt met zijn voet op het gaspedaal, waardoor de motor nog zeker een half uur op een krankzinnig hoog toerental blijft doorloeien, terwijl de politie de plaats van het delict besnuffelt. Zeer macaber. In een andere straat bij mij in de buurt zijn in een jaar tijd al vijf moorden gepleegd.

Op een nacht word ik gewekt door een Surinamer naast mijn bed. Hij improviseert en vertelt dat de voordeur openstond. De voordeur blijkt grondig vernield en mijn nieuwe fiets is uit de hal verdwenen. Nog driemaal betrap ik (blanke) jongens bij een poging tot inbraak, waarbij ramen en deuren worden vernield.

Op een middag wil ik naar het postkantoor om de hoek. Ik open mijn voordeur en zie dat een Antilliaan in mijn portiek staat te pissen. Ik vraag hem of hij niet een mooie boom kan uitzoeken. De Antilliaan begint mij uit te schelden, bedreigt me met de dood en achtervolgt me schreeuwend tot aan het postkantoor.

Op een nacht worden drie antieke balkonhekken uit mijn achtertuin gestolen door het (blanke) personeel van de aannemer die een offerte maakte voor de gevelreiniging. Een half jaar lang sliep gemiddeld drie keer per week een zwerver in mijn oude Volvo. De auto stonk soms zo erg dat ik hem eerst kokhalzend moest reinigen voordat ik erop uit kon.

Op een zomeravond betrap ik jongeren, die via het open raam mijn werkplaats willen binnenklimmen. Ik loop stomverbaasd naar buiten en tref daar drie onschuldig ogende blanke tienerstelletjes. Ik vraag of ze wel helemaal goed bij hun hoofd zijn. Dan blijkt dat ze knuppels bij zich hebben. Gevolg: een blauw oog, kapotte bril, een gebroken rib en drie weken arbeidsongeschikt.

Een gekleurde jongen – vaak volgesnoven, speedy en superagressief – bedreigt mij elke keer dat ik hem tegenkom met de dood. Ook heb ik hem een keer een verstandelijk gehandicapte allochtone buurtbewoner met een honkbalknuppel zien bedreigen. In mijn buurt woont een fors aantal alcoholisten en andere verslaafden, die met regelmaat, bij voorkeur midden in de nacht, hun agressie en ongenoegen luidkeels ventileren.

Op een andere avond wil ik een pizza halen om de hoek en word ik bijna doodgereden door twee Marokkaanse jongens in een zwarte BMW. De auto vliegt uit de bocht, ramt een geparkeerde Saab en rijdt vervolgens door. Bij thuiskomst staat de BMW naast mijn huis geparkeerd. Ik meld dit bij de politie. De BMW blijkt gestolen te zijn, en is de eerste in een lange reeks van gestolen en kapotgereden auto's die na het joyrijden of een ramkraak bij mij in de straat worden gedumpt.

Mijn vrouw wordt op klaarlichte dag beroofd van een volle tas met boodschappen. Twee zwarte tieners met zwarte kleren op een zwarte scooter jatten hem uit haar fietsmand. Een andere keer wordt op de markt haar portemonnee gestolen, met geld, bankpassen en het pasje van haar verblijfsvergunning. Mijn vrouw komt uit Hongkong en heeft al in heel wat miljoenensteden gewoond, maar ze voelde zich nog nergens zo onveilig als in Rotterdam.

Op een andere dag staan `baldadige' Kaapverdiaanse jongeren achter ons huis mijn vrouw een half uur lang uit te jouwen, terwijl ze staat te koken. Vervolgens wordt een forse steen door de keukenruit gekeild. Gevolg: glas in het eten en mijn vrouw twee dagen in shock. Dezelfde jongens staan de volgende dag weer doodleuk te voetballen voor ons huis. De politie maakt weer een `mutatie'.

Voor ons huis is een speelplaats met voetbalkooi. In mijn werkkamer kijk ik daar op uit. In de afgelopen vijf jaar is deze kooi door de allochtone jeugd volledig geruïneerd. Bijna iedere zomeravond wordt er tot half elf, elf uur gevoetbald en gegild. Ook wordt er regelmatig om een uur of half twaalf nog een groep honden in de kooi losgelaten. De baasjes laten de pitbulls schreeuwend bierblikjes apporteren.

Ik zie ook dat de Marokkaanse buurtjochies van tien, elf jaar elke twee weken op een andere mountainbike rijden. Als ze een lekke band hebben, wordt de fiets aan gort getrapt, in de sloot gedumpt of met geweld om een paal gevouwen. De volgende dag rijden ze op een nieuwe. Diezelfde gastjes laten, als ze moeten pissen, zo hun trainingsbroek zakken en zeiken waar ze staan. Ik hoef niet eens op te letten om het een paar keer per week te zien.

Ik ken twee Marokkaanse jongetjes die elke zaterdag karweitjes voor mij doen. Ze komen uit moeilijke gezinnen, maar het zijn goeie jongens, pientere koppen. Ze hebben wat in hun mars en willen niet meer bij die jatgroepen horen. Ze zeggen over die jatjongetjes: ,,Voor een lege colafles van vijftig eurocent slaan ze je autoruiten in.'' Dat is de mentaliteit waar we mee te maken hebben.

Terwijl ik in het schemerdonker in mijn tuin een wijntje sta te drinken, zie ik door een kier in de schutting dat twee Marokkaanse jongens zich verdacht ophouden. Ik weet dat ze bij een dievenbende horen. Ze hebben die avond meegedaan aan een voetbaltoernooi, georganiseerd en gesubsidieerd door de deelgemeente. Ze groeten de wegfietsende organisator vriendelijk en slaan vervolgens één minuut later de achterruit in van een stationwagen. Ze jatten er een tas uit en fietsen luid lachend weg.

Ik weet dat een van deze jongens op de school hier vlakbij zit. Ik meld alles bij de politie die mij eerlijk vertelt dat ze er niets mee gaan doen. Diezelfde jongen heeft me al eens eerder met een stiletto bedreigd: ,,Ik ga jou steken, man!''

Op een nacht word ik weer eens wakker van een vreemd geluid. Ik zie dat iemand een auto naast mijn huis probeert open te breken. Ik open het raam en vraag hem op te donderen. Ik heb natuurlijk eerst de politie gebeld en heb mijn telefoon zichtbaar in de hand. Maar zelfs bij het alarmnummer word je in de wacht gezet. De slecht Nederlands sprekende en superagressieve Joegoslaaf rent naar mijn raam, gooit een tak naar mijn hoofd, probeert mij over het hek heen te raken met zijn vuisten en naar binnen te klimmen. Alleen door te bluffen dat ik met de politie spreek, weet ik hem weg te jagen.

Mijn overbuurman heeft in twee jaar tijd negen keer aangifte gedaan van een inbraak in zijn auto. Hij woont inmiddels elders.

De afgelopen jaren zijn er hier in de buurt honderden auto's opengebroken. De nacht vóór Koninginnedag 2001 was een dieptepunt. Toen werden er rond het plein in één nacht dertig auto's gekraakt.

Ik doe nog een kleine greep uit de zomer van 2002. Er is 's morgens vroeg ruzie in de voetbalkooi. Daarop vindt er een schietpartij plaats tussen drie Marokkaanse jongens. Een van hen zit op de school in de buurt. De politie heeft de schutter snel te pakken, maar het wapen blijft onvindbaar.

Zes Turken van een jaar of twintig staan om drie uur 's nachts te praten in mijn straat, voor de zij-ingang van de middelbare school. Ze doen geen kwaad, staan moppen te tappen en brullen het uit van plezier. Maar na een uur – het is vier uur 's nachts – vind ik het wel mooi geweest. De politie is onbereikbaar en ik open het raam en vraag vriendelijk of het wat zachter kan. Het antwoord: ,,Hou je kop, kankerlul, of we neuken je in je hol!'' Na tien minuten gaan ze weg. Onze nachtrust is grondig verziekt.

Ongeveer vijftien Marokkaanse jongetjes van tien, elf jaar staan om acht uur 's avonds bij mijn achtertuin tien minuten lang `Homo, Homo!' te scanderen. Ik heb gasten op bezoek. Mijn familie en vrienden voelen zich aangevallen en geïntimideerd. Na een tijdje blijkt dat niet ik het doelwit ben, maar mijn buurman. Hij is niet thuis of durft niet open te doen. Dan wordt duidelijk dat de jongetjes de voetbal terug willen hebben die ze per ongeluk in buurmans tuin hebben geschoten. En dit is hun manier om dat te vragen.

Op zondagmorgen wordt een straat verderop een auto opgeblazen. Het uitgebrande wrak blijft er drie dagen staan. Op het pleintje voor de middelbare school hier in de buurt, een prachtig rijksmonument, verzamelen zich 's avonds vaak groepjes van tien tot vijftien jongeren. Het zijn altijd weer andere groepen, steeds weer in een andere samenstelling en van verschillende etnische achtergronden.

Het feest begint na sluiting van de school en gaat vaak tot drie of vier uur 's nachts door. Ze komen met opgevoerde en geblindeerde auto's, waarmee ze met gillende banden om het plantsoen racen. Ze draaien harde muziek. Ze schreeuwen, drinken, voetballen en vechten. Ze bedreigen voorbijgangers en schelden ze uit. Er wordt gedeald en geheeld. Ze richten een enorme ravage aan. Elk jaar worden er tientallen ruiten ingegooid, muren en deuren beklad. Ze zeiken in de portieken en stoken er fikkies, beschadigen auto's. De straat en de schoolingang zijn elke dag bezaaid met flessen, glas en ander afval. De geluidsoverlast van deze gedrogeerde jongeren is verschrikkelijk.

Meestal is de politie onbereikbaar. Maar als de politie voor tienen komt, druipen ze meestal af. Na twaalven, als drank en drugs hun effect krijgen, worden de klagers vaak bedreigd met het afbranden van hun huis en het verkrachten van vrouw en kinderen. Vooral de Marokkaanse jongens komen snel met dit soort bedreigingen. Ik weet uit buurtonderzoek dat het niet in alle gevallen bij woorden blijft, en heb schrijnende verhalen gehoord over geweld en intimidatie.

De politie heeft naar aanleiding van aanhoudende klachten een zogeheten buurtscan gemaakt. Deze rapportage is een regelrechte belediging van de buurtbewoners en de schooldirectie. Een groot deel van de incidenten, zoals de bomaanslag op mijn auto, wordt niet vermeld. De algemene toon van voorbehoud is voor alle betrokkenen ronduit schokkend. Een politieagente vertelde tijdens het deelraadoverleg: ,,We hebben in de computer alleen gezocht op het trefwoord jeugdoverlast. Dus de andere criminaliteit is niet in de buurtscan opgenomen.'' Daar zat ik dan met drie bewoners en veertien ambtenaren, al voor de derde maal te vergaderen over de wijkproblemen. Niemand kan mij uitleggen waarom er van al mijn aangiftes, op twee na, verder niet één is afgehandeld of opgelost. De verantwoordelijke wijkagent vindt eigenlijk dat ik niet moet zeuren. Het is hier peanuts. In Spangen is het allemaal veel erger. Kralingen-West heeft dan ook niet het stadsetiket hotspot gekregen. Ook al staat de wijk op de vierde plaats van de landelijke Algemeen Dagblad-misdaadmeter en op de eerste plaats als het gaat om moord en doodslag.

M.m.v. Paul Andersson Toussaint

Wilt u reageren, mail uw reactie naar zbrieven@nrc.nl of schrijf naar Zaterdags Bijvoegsel, Postbus 8987, 3009 TH Rotterdam.