Het pensioenblik lekt

Ooit waren pensioenfondsen simpele constructies met een eenvoudige directeur, bijgestaan door een jongen die kon rekenen en de sterftetafels begreep. Samen berekenden zij eens per jaar de nieuwe standaard-pensioenaanspraken, de premies en de vereiste reserve voor toekomstige verplichtingen. De rest van het jaar deden ze ander werk voor hun baas. En er was iemand die de ontvangen premies uitleende aan ziekenhuizen en andere nuttige, bevriende instellingen. Je viel in slaap bij een pensioenfonds, maar het werkte wel en de kosten waren gering.

Kom daar nu eens om. Het fonds van weleer is een financiële, multinationale grootmacht met honderden fulltime werknemers en vele miljarden euro's aan reserves. De pensioenaanspraken zijn op maat gesneden, flexibel, bestand tegen prijsstijgingen (geïndexeerd), gekoppeld aan je salaris en carrière, fiscaal bevoorrecht enzovoort. De pensioenfondsen blikken onze huidige welvaart in voor later en beloven hun deelnemers dat ze er nog minstens zestig jaar zorgeloos van kunnen leven.

Is dat waar? Nee. Wie moet dat zestig jaar lang betalen? Laat het zorgeloze maar weg. De eeuwig durende welvaart drijft of dreef op aandelen. Altijd goed voor een fors rendement, waardoor de premies haast bijzaak leken. Maar die droom is wreed verstoord.

Er loert nog een ander gevaar: onze goede gezondheid. Donderdag kwam een groep topambtenaren met het voorstel aan informateur Donner om de pensioenleeftijd te verhogen tot 67 jaar en de werkzaamheid van 60-plussers op te krikken. Net als in Noorwegen en Denemarken. Onze ouderdomspensioenen en de AOW gaan dan twee jaar later in. Dit omdat we langer leven en de verhouding tussen premiebetalers en gepensioneerden de welvaart in het pensioenblik aantast.

Nou verloopt de invoering van ingrijpende veranderingen niet zo snel, maar het is wel een teken aan de wand. Bovendien kan de overheid niemand verbieden eerder te stoppen met werken. De overheid heeft hier wel minstens drie wapens in handen om de zaak enigszins te beïnvloeden.

Allereerst de aftrekbaarheid van (collectieve) pensioenpremies en (individuele) lijfrentepremies van het belastbare inkomen, en de belaste toekomstige uitkering. Die kan men koppelen aan een bepaalde pensioenleeftijd. Dan als tweede de fiscale voordelen die pensioenfondsen genieten. En ten derde de ingangsdatum, hoogte en beperkende voorwaarden van de AOW-uitkering. Wie geen premies aftrekt, of amper steunt op de AOW, en voldoende eigen geld bezit kan dus doen wat hij wil.

Alle (politieke) discussies over pensioenen gaan altijd over werknemers van bedrijven en instellingen die deelnemen in pensioenregelingen van hun onderneming of bedrijfstak. Bijna alle freelancers, zelfstandigen, ondernemers, vrije beroepers en ander los werkvolk moeten het stellen zonder de luxe van een geïndexeerde (eindloon)pensioenregeling en zelf iets regelen.

Zij kunnen niet veel meer doen dan een lijfrentepolis sluiten en de premies aftrekken van hun belastbare inkomen. Zo'n polis is een kale vorm van pensioen vergeleken bij de regelingen voor werknemers, en biedt geen prijscompensatie of koppeling aan het inkomen en de carrière, want dat is niet te betalen voor een individu. Het lijkt op de simpele constructies van vroeger.

Hieruit kan je concluderen dat niet-werknemers in de afgelopen tientallen jaren niet veel zijn opgeschoten qua voorzieningen en aandacht voor hun oude dag, vergeleken bij de werknemers.

Maar nu men twijfelt aan de soliditeit van ons blik vol welvaart, wordt het tijd om werknemers te wijzen op de (mogelijke) werkelijkheid. Die is dat ons luxe pensioenstelsel niet te betalen is wanneer de zaken (economisch en qua bevolkingsopbouw) tegenzitten. Het moet om veiligheidsredenen terug naar de simpele, goedkope constructies van vroeger.

Iedereen die meer wil (bijvoorbeeld indexatie) mag dat zelf bijverzekeren. Daarmee komen de stelsels voor werknemers en niet-werknemers dicht bij elkaar te liggen en kan de nationale oudedagdiscussie over iedereen gaan. Met deze strategie moeten alle betrokkenen kunnen instemmen.