GRONINGSE KILLER-KEVERS DODEN LEEUWERIK-KUIKENS

Van de 24 nesten van veldleeuweriken (Alauda arvensis) die onderzoekers van Sovon Vogelonderzoek afgelopen lente in de provincie Groningen ontdekten, lukten er elf, was het van vijf onduidelijk of de kuikens waren uitgelopen dan wel leeggeroofd, werd er één verlaten, gingen er drie verloren door maaimachines, één door eiroof en drie door kuikenroof.

Bij de geconstateerde plundering van nesten op de grond dacht onderzoeker René Oosterhuis eerst aan bijvoorbeeld muizen of kraaien als daders. Maar in één geval bleken tot zijn verrassing kevers verantwoordelijk. In een nest met drie jongen bleek er één te zijn aangevreten. In zijn nek zat een bloederig gaatje, met een rode plek eromheen. Een kever zat erbij. Een ander kuiken had een piepklein wondje, de derde was ongedeerd.

De kever werd meegenomen, maar een paar dagen later bleken ook de andere twee kuikens te zijn doodgebeten. Er zaten twee kevers aan te knabbelen. Het waren gouden scharrebijters (Carabus auratus), 2,5 centimeter lange loopkevers, zwart met een paarse glans. Volgens de boeken leven scharrebijters van insecten, slakken en aas. Oosterhuis heeft nooit eerder gehoord van kuikenpredatie door zulke killer-kevers. Het nest lag op een veld dat al zo'n vijf jaar braak lag. Daar leven veel meer kevers dan op akkers, waar leeuweriken ook broeden.

De veldleeuwerik was een algemene akkervogel, maar zijn aantal kelderde de laatste 25 jaar met ruim 90 procent. Alleen op vogelvriendelijk beheerde akkers met braakgelegde akkerranden houdt hij stand, vooral in het Oldambt en de Veenkoloniën van Oost-Groningen. Ook in deze laatste bolwerken van de soort gaat het nu bergafwaarts. Dat er uit 11 van de 24 nesten kuikens komen lijkt al weinig, maar het broedsucces is nog lager. De kans dat je een succesvol nest vindt, dat vier weken lang gebruikt wordt, is groter dan de kans op een nest dat al na twee dagen mislukt. Het broedsucces wordt berekend volgens de zogenoemde Mayfield-methode die daarop corrigeert. Oosterhuis berekende dat uit slechts 25,6 procent van de legsels kuikens uitlopen. Die resultaten stemmen overeen met de populatie-afname in de onderzochte gebieden.

Behalve het geringe succes per nest lukt het de vogels slechts twee broedsels te produceren in plaats van de gebruikelijke drie. Door wintergranen bleken veel akkers te hoog en dicht begroeid voor nesten. De vogels wachtten op zomergewassen en sloegen pas aan het broeden toen die 10 tot 15 centimeter hoog waren: halverwege mei. Daardoor hadden ze tijd voor hooguit twee nesten.