EUFORIE: Zweedse ijshockeyploeg Olympische Spelen 1994

Beuken en gebeukt worden waarbij het regelmatig uit de hand loopt. Dat is het populaire beeld van ijshockey. Maar ijshockey is meer – soms fabelachtige techniek en spelinzicht (waardoor je minder kwetsbaar voor het gebeuk wordt), flitsende combinaties, grote concentratie, explosieve sprints: de adrenaline giert door de hal. Een mannelijke sport. Vaak een kwestie van geven en nemen, van accepteren dat je wat je uitdeelt ook terug krijgt, van zelfbeheersing maar ook van provocaties over en weer waarbij de gemoederen soms oververhit kunnen raken om daarna weer even snel af te koelen. Vooral bij de grote toernooien zie je zinderende wedstrijden met verrassende winnaars zoals bij de Winterspelen van Lillehammer (1994) en in Nagano (1998). Vaak is de doelman de bepalende speler. Dat was in 1994 de Zweedse tweede reservedoelman Tommy Salo die in de shoot-outs de inzet van de Canadees Paul Kariya stopte en daarmee goud verdiende. Vier jaar later was de Tsjech Dominik Hasek nog beter (hij stopte tijdens het toernooi in Nagano 149 van de 155 op het doel afgevuurde schoten). Hasek hield Canada uit de olympische finale en kon daarna ook door de beste veldspeler van het tournooi, de Rus Pavel Bure, niet worden gepasseerd. Salo en Hasek kregen het na hun laatste wedstrijd overigens zwaarder dan tijdens het duel: de spelers wisten aan wie ze hun vreugde te danken hadden en ijshockeyers zijn geen lichtgewichten.

Dit is het 25ste deel in een serie over vreugde in en rond de sport.