EU wil onenigheid verdoezelen

Europa wil graag een belangrijke rol spelen op het wereldtoneel. Maar het slaagt er niet in om een gemeenschappelijk beleid te formuleren.

In theorie heeft de Europese Unie een gemeenschappelijk buitenlands- en veiligheidsbeleid. Maar in de praktijk zijn de lidstaten het grondig oneens over de internationale politiek. Europese ministers van Buitenlandse Zaken proberen dat probleem meestal te verdoezelen. Ze benadrukken waarover ze het eens zijn en zwijgen over meningsverschillen.

Afgelopen maandag werden de ministers het volgens deze beproefde tactiek eens over een gemeenschappelijk standpunt over Irak. Ze zeiden dat voortzetting van de wapeninspecties in dat land noodzakelijk is. Die eensgezindheid kon alleen bereikt worden door een van de belangrijkste vragen – of voor een oorlog tegen Irak een nieuwe resolutie van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties nodig is – te omzeilen.

De open brief waarin acht Europese leiders hun steun uitspraken voor de Verenigde Staten, hoeft dan ook niet te verbazen. En ook niet dat de initiatiefnemers, de Britten en de Spanjaarden, Frankrijk en Duitsland niet hebben gevraagd om mee te ondertekenen. Ze hadden niet eens overlegd met de huidige EU-voorzitter, de zeer tegen een oorlog gekante Griekse premier Constantine Simitis. Met hun diplomatie per brief hebben ze wel de Europese traditie om te zoeken naar een minimum van eensgezindheid doorbroken.

Bij de Conventie over de toekomst van Europa, waar de EU met het oog op de toetreding van tien nieuwe leden opnieuw wordt vormgegeven, is het buitenlands beleid een veel besproken onderwerp. Het regent er van de voorstellen, die tot doel hebben om – zo werd het afgelopen december in de werkgroep buitenlands beleid van de Conventie geformuleerd – van de Europese Unie ,,een krachtige en geloofwaardige speler op het internationale toneel [te maken], niet alleen economisch, maar ook politiek''. Frankrijk en Duitsland hebben zelfs voorgesteld Europa een echte minister van Buitenlandse Zaken te geven. Bovendien zou een volwaardige president Europa op het hoogste wereldniveau moeten vertegenwoordigen.

Maar verschillende landen liggen, om verschillende redenen, dwars. Ook Nederland, niet zozeer omdat het deze ambities te ver van de werkelijkheid verwijderd vindt. Het is bang dat grote lidstaten te veel te zeggen krijgen. Het wil dat de Europese Commissie een belangrijker rol bij het buitenlands beleid krijgt, opdat voor groot en klein het gemeenschappelijke Europese belang voorop staat. Ook voor Peter Hain, vertegenwoordiger van de Britse regering in de Conventie, is een Europese minister van Buitenlandse Zaken onbespreekbaar. Hij vindt juist dat er maar een paar Europese landen zijn, die internationaal iets voorstellen, omdat ze kunnen bogen op een serieuze militaire macht. Frankrijk is het eigenlijk wel met Hain eens, maar het hoopt juist weer door middel van een Europese minister van Buitenlandse Zaken zelf meer gewicht in de wereldpolitiek te krijgen.

Romano Prodi, de voorzitter van de Europese Commissie, voelde zich vorig jaar bij een bezoek aan de Amerikaanse president, George W. Bush, behandeld als een ,,jongste medefirmant''. Daarom bepleit hij een politiek sterk Europa dat met één stem op het wereldtoneel spreekt. Maar Javier Solana, de EU-coördinator voor het buitenlands beleid, zegt openlijk wat voor veel Europese politici taboe is: ,,De EU kan niet een volkomen gemeenschappelijk standpunt over Irak hebben. Zelfs wanneer het buitenlands beleid niet meer met eenstemmigheid maar met een gekwalificeerde meerderheid vastgesteld wordt, blijft het heel moeilijk om over oorlog of vrede te stemmen.''