Essentiële slingers

Lianen hebben een belangrijke ecologische rol in het regenwoud. De huidige bosbouwpraktijken zijn desastreus voor deze groep planten, zegt hoogleraar tropische bosecologie Frans Bongers.

Houthakkers in het regenwoud hebben een hekel aan lianen. Deze snelgroeiende slingerplanten groeien zo vlug mogelijk naar het licht, naar het `dak' van het bos, waar ze voortwoekeren tussen de boomkronen. Wil een bosbouwer één oude woudreus omver halen, dan trekt hij al gauw een hele kluwen van verstrengelde bomen mee. Omdat lianen naar het licht groeien zullen ze bovendien een opengevallen plek in het bos snel overwoekeren. Daardoor worden jonge boompjes op zo'n open plek gesmoord en wordt de hergroei van het bos geremd. Wereldwijd maken houthakkers dan ook korte metten met lianen. Voordat ze aan de slag gaan worden alle lianen in het werkgebied gekapt, over oppervlakten van honderden tot duizenden hectaren tegelijk. ``Die aanpak is desastreus voor het regenwoud als ecosysteem en bovendien onnodig'', zegt bioloog Frans Bongers, die twee weken geleden zijn inaugurele rede hield als hoogleraar tropische bosecologie aan de Wageningen Universiteit. ``Lianen vormen een belangrijke structurele component van het regenwoud. Ze vertegenwoordigen een kwart van de biodiversiteit van de houtige planten in het bos. Apen en andere dieren verplaatsen zich langs hun rankende stengels, en hun bloemen en vruchten zijn ook voor vogels en insecten een vooraanstaande voedselbron.''

Samen met promovendus Marc Parren voerde Bongers een experiment uit in het laaglandregenwoud van Zuid-Kameroen. De bosbouwintensiteit is hier laag. Gemiddeld halen houthakkers per hectare jaarlijks één grote boom uit het bos. De gangbare praktijk is dat alle lianen in het werkgebied worden afgekapt tot een meter boven de grond.

kapschade

Het totale kapgebied bedraagt ruim 2000 vierkante kilometer. Parren en Bongers vergeleken 81 kapplekken in dit bos waar éérst de lianen waren gekapt met 80 andere kapplekken waar de lianen bij wijze van experiment ongemoeid waren gelaten. De in het bos ontstane openingen bleken in beide gevallen even groot te zijn, gemiddeld 550 vierkante meter per gekapte boom. Ook de ontstane kapschade was vergelijkbaar. Gemiddeld werden per gevelde boom 12 andere gedood en nog eens 20 beschadigd. ``Dat was een heel verrassende uitkomst'', zegt Bongers, ``temeer omdat eerder onderzoek onder andere in Latijns Amerika had uitgewezen dat je wèl minder kapschade krijgt als je eerst de lianen kapt.'' Vermoedelijk komt dat doordat de bosbouw in Kameroen selectiever is. Men haalt er gemiddeld 13 kuub hout per hectare uit het bos, afkomstig van 1 tot 2 bomen per hectare, alleen de allerbeste, grootste stammen van een beperkt aantal commercieel aantrekkelijke soorten. In Frans en Brits Guyana kapt men gemiddeld 6 tot 8 bomen per hectare.

Het Wageningse onderzoek heeft veel stof doen opwaaien. Bongers, wijzend op de publicaties: ``Dit zijn gouden papertjes. Maar men verwijt ons ook dat we de veiligheid voor de bosarbeiders buiten beschouwing laten. De theorie luidt dat men de valrichting van zo'n woudreus beter kan sturen als er niet door lianen aan die boom wordt getrokken.''

Bongers geldt als een internationale expert op het gebied van lianen. Zijn groep doet veel onderzoek aan lianen, ondermeer in Ivoorkust en Kameroen en waarschijnlijk binnenkort ook in China. Eind dit jaar verschijnt een standaardwerk over ecologie en beheer van lianen in West-Afrika. Dit boek maakt onderdeel uit van een groot EU-project gericht op het in kaart brengen van de totale biodiversiteit van het regenwoud van West-Afrika. Bongers: ``West-Afrika is een hot-spot voor biodiversiteit. We hebben er zo'n 650 endemische soorten aangetroffen, soorten die nergens anders ter wereld groeien. De gangbare bosbouwpraktijken richten echter grote ecologische schade aan. Men zou lianen veel selectiever moeten kappen, alleen als het echt nodig is.'' In het experiment in Zuid-Kameroen troffen de Wageningse onderzoekers op borsthoogte zo'n 5000 lianen per hectare aan, waarvan ruim honderd grote, met een doorsnee van meer dan 5 centimeter op borsthoogte. Bijna twee jaar na de houtkap was 70 procent van al die lianen afgestorven. Sommige soorten kunnen wel tegen een stootje en lopen na het kappen gewoon weer uit. Andere worden echter met uitsterven bedreigd.''

Dat is niet alleen schadelijk voor het ecosysteem, maar ook spijtig voor de lokale bevolking die de lianen uit het bos voor tal van doeleinden gebruikt, om manden te vlechten en meubels te maken. In Ivoorkust blijkt de lokale bevolking 182 soorten medicinale planten uit het bos te gebruiken, waarvan 45 procent lianen.

Lianen komen ook in de gematigde streken voor, zoals de wilde wingerd en de bosrank of Clematis. In de tropen zijn ze veel talrijker. Bongers: ``In hoofdlijnen onderscheiden we vier verschillende groepen lianen, die elk hun eigen strategie gebruiken om naar het licht te reiken. Ze hebben gemeenschappelijk dat ze weinig investeren in stevige structuren. Ze proberen vooral om snel naar het zonlicht toe te groeien. Sommige gebruiken weerhaakjes, haartjes of zuignapjes, anderen slingerende ranken.''

concurrentie

Kenmerkend voor alle lianen is dat ze hun hele leven stevig in de bosgrond geworteld blijven, anders dan bijvoorbeeld bromelia's, boomvarens of mossen, die op boomstammen groeien. Ze hebben meestal nogal kleine zaden die door de wind worden verspreid. Bestuivers zijn vooral grote bijen en kevers. Aangezien lianen wereldwijd in de meest uiteenlopende plantenfamilies voorkomen denken evolutiebiologen dat deze levensvormen meermalen in de evolutie, onafhankelijk van elkaar, zijn ontstaan. De concurrentie tussen bomen en lianen is onderwerp van veel onderzoek. Vermoed wordt dat het bij die concurrentie niet alleen om ruimte en zonlicht gaat, maar ook om ondergrondse competitie, bijvoorbeeld om de schaarse stikstof in de bosbodem. Lianen drukken hun stempel op de soortensamenstelling van het bos. Doordat ze opengevallen plekken snel overwoekeren, remmen ze de kiemplanten van langzaam groeiende, schaduwminnende boomsoorten.

Het herkennen van lianensoorten is verre van eenvoudig, want omdat lianen snel naar het licht groeien, zitten er maar weinig bladeren onderaan de stengels. Bongers: ``Ik heb jarenlang in het bos geklommen, de laatste tijd krijg ik een beetje hoogtevrees. Je kunt klimmen met spikes, maar dan beschadig je de stam. De meeste mensen gebruiken gewone bergbeklimmerstouwen. Tegenwoordig bestaan er ook kleine luchtballons voor één persoon, waarmee je jezelf langs touwen over het bladerdak kunt verplaatsen. Bovenin heb je een totaal andere kijk op dat bos. Onderin het bos is alles soepgroen, er is weinig kleur, want de meeste bloemen zitten bovenin. Ineens blijkt zo'n boom dan bovenin bijvoorbeeld vlammend geel te zijn, een zee van bloemen, fantastisch.'' Vooral in Frans Guyana is het regenwoud nog tamelijk ongerept. Er leven grote en kleine miereneters, armadillo's, herten, tapir, de poema, de jaguar. Bovenin het bos leven veel apen, en kleine wollige nachtelijke zoogdiertjes (zoals de Kinkajou) en veel vogels. ``En er zijn ongetwijfeld nieuwe soorten lianen te beschrijven'', zegt Bongers. Of daar nog tijd voor is, is de vraag. ``Persoonlijk denk ik dat de ontbossing in de wereld de komende 30 tot 40 jaar nog gigantisch zal doorzetten. De schaarste aan bossen en bosproducten is nog niet groot genoeg om een tegenreactie op gang te brengen. In een tuincentrum, bijvoorbeeld, is Europees triplex flink duurder dan dat uit de tropen. En hoe goedkoper de spullen uit tropisch bos zijn, hoe meer volume die landen in de markt moeten zetten om er een inkomen uit te halen.''