Er moet ruimte komen om wild te bouwen

Nederland is de Galapagos van de woningbouw. Het wordt hoog tijd dat architectuur niet langer wordt opgedrongen aan mensen die daar geen behoefte aan hebben, meent Carel Weeber.

Nederland is internationaal vermaard op het gebied van woningbouw en ruimtelijke ordening, maar verkeert nu ook in deze domeinen in crisis. Omstreeks 1990 leek het erop dat voor het eerst na de Tweede Wereldoorlog het woningvraagstuk was opgelost, maar dit bleek gezichtsbedrog. Sterker, nieuwe vormen van woningnood staken de kop op.

Weliswaar werden binnen tien jaar tijd volgens strakke regels en door veelal jonge architecten een half miljoen woningen gebouwd, de zogeheten Vinex-wijken, en allemaal onmiddellijk verkocht, maar in die tien jaar stegen de grond- en woningprijzen zó sterk dat de woningen voor het gemiddelde gezin onbetaalbaar zijn geworden. Nederlanders zijn niet gewend veel te betalen voor hun huis. Het gevolg is dat de woningbouwindustrie op instorten staat en in de komende jaren onvoldoende woningen op de markt zullen worden aangeboden.

Bovendien begonnen de projectontwikkelaars te merken dat wat er werd gebouwd, niet het type woning was waarop de kopers zaten te wachten. Alsof de tijd stil had gestaan, was men in de Vinex-wijken stramme rijtjeshuizen blijven bouwen in gelijke dichtheid volgens het model uit de economische crisis van de jaren dertig van de vorige eeuw. Dit is het soort architectuur waar Nederland faam aan ontleent. Zelfs de stijl bleef gehandhaafd. De Moderne stijl, ontdaan van al te meedogenloze kenmerken, werd consequent door overheidsinstanties via hun stedenbouwers, supervisoren en Welstandscommissies aan projectontwikkelaars opgelegd.

De binnenkant van deze betonnen casco's van de Vinex-huizen is nooit ter discussie gesteld. Men had de handen meer dan vol met het voldoen aan steeds strengere regelgeving en de uit de hand gelopen vergadercultuur. Alle ontwerpenergie richtte zich op de buitenkant, tot het design, tot wat hun opdrachtgevers als `architectuur' moesten begrijpen.

Jaarlijks werden in het Jaarboek Architectuur in Nederland deze kunsten zorgvuldig gedocumenteerd en in verschillende talen verspreid. Hierdoor aangetrokken stroomden sindsdien vanuit de hele wereld architectuurtoeristen toe om zich in deze nieuwe Galapagos te vergapen aan onze versteende tentenkampen. Toekomstige bewoners hadden niets in te brengen en hadden geen keus.

In dit maatschappelijke drama figureren nog drie andere bevolkingsgroepen. De grootste groep zijn bewoners van inmiddels ook door hen als ondermaats ervaren huurwoningen. Door het tekort aan een reservevoorraad woningen en een vastgelopen woningmarkt kan deze groep geen kant meer op en zoekt zijn heil tijdens de zomermaanden daarom in volkstuinen, pretparken, stacaravans en echte tenten. In Amsterdam moet je minstens zes jaar wachten op een huurwoning.

De tweede groep zijn de starters op de arbeidsmarkt en studenten. Al twintig jaar wordt deze bevolkingsgroep aan zijn lot overgelaten. Kleine appartementen en studio's werden niet gebouwd, terwijl de markt onuitputtelijk moet zijn. De derde groep is het pijnlijkst getroffen: de legale en illegale buitenlanders die stelselmatig door de woningcorporaties worden gedumpt in potentiële sloopwoningen. In overbevolkte, verwaarloosde woningen wachten ze op het volgende verhuisbevel. Deze nieuwe onderklasse, schuift als stedelijke nomaden van het ene afbraakgebied naar het andere, daarbij bovendien de oorspronkelijke (blanke) bevolking verdringend. In het verleden werden wel woningcorporaties voor bijzondere groepen opgericht. Nu is de overheid bang voor een aanzuigende werking werking op andere buitenlanders en voor gettovorming in de steden.

Toen in 1997 het `Wilde Wonen' werd gelanceerd en de achtergrond hiervan in het boekje onder dezelfde titel werd uitgewerkt (www.hetwildewonen.nl), bevond de zojuist beschreven toestand zich nog in een sluimerende fase. Het Wilde Wonen is een aanklacht tegen de Nederlandse staatspraktijk in de woningbouw, een afscheid van het staatsdenken in de architectuur en een aanzet om woonhuizen en woonomgeving voor een inmiddels geëmancipeerde bevolking in een vrije markt gestalte te geven. Na honderd jaar intense staatszorg, belichaamd in de Woningwet van 1901, wordt aan het Nederlandse volk nog steeds de toegang tot gewenste en vooral vrijstaande woonvormen ontzegd en aan particuliere opdrachtgevers geen enkele rol in het bouwproces toebedeeld. In feite is het bouwen van een eigen huis – een basisbehoefte van de mens – de doorsnee Nederlander onmogelijk gemaakt, met als argumenten dat het land vol is en dat ruimte voor particuliere opdrachtgevers leidt tot `Belgische toestanden'.

Het Wilde Wonen is een pleidooi voor informeel wonen, voor volkstuinen, mobile homes, woonboten en recreatiewoningen als permanente verblijfplaatsen voor wie daar de voorkeur aan geeft boven de betonnen vogelkooien. Daarom ook is het Wilde Wonen een pleidooi tégen het opdringen van architectuur aan mensen die daar geen behoefte aan hebben.

Het Wilde Wonen is ook een pleidooi vóór de cataloguswoningen. De cataloguswoning kan naar analogie met de kledingindustrie worden opgevat als het confectiepak van de architectuur, naast historische monumenten (traditionele klederdrachten), unieke gebouwen (couture) en collectieve woonvormen (uniformen). In Nederland is de confectiewoning, gebaseerd op massaproductie en keuzevrijheid, in tegenstelling tot elders in de wereld nooit van de grond gekomen. Door institutionele belanghebbenden en vooral door architecten is deze bouwvorm verguisd, belemmerd en tegengehouden.

Vooral onder invloed van het Wilde Wonen heeft de regering twee jaar geleden in de nota `Mensen wensen wonen' laten opnemen, dat binnen vijf jaar 30 procent van de woningbouw door particuliere opdrachtgevers moet kunnen worden gebouwd. Anders dan honderd jaar geleden, kan anno 2003 de oplossing van het woonvraagstuk niet van bovenaf worden verwacht. Wellicht dat deze stagnatie in de woningbouwproductie en de onvrede over de huisvesting voor een versnelling van de liberalisering van de architectuur en de woningmarkt kunnen zorgen.

Carel Weeber was architect.