EEN KRIJGSHEER IN SCHAAPSKLEREN

In het noordwesten van Afghanistan maakt voormalig krijgsheer Abdul Rashid Dostam de dienst uit.

Vroeger liet hij nog wel eens een tank over ongehoorzame soldaten heenrijden. Tegenwoordig laat hij zijn uniform thuis en dwingt hij zijn krijgers hun wapens in te leveren.

Twintig kilometer voorbij de stad Sheberghan in het noordwesten van Afghanistan houdt het asfalt plotseling op. Het fijne zand wervelt omhoog. In de dichte stofnevel zijn de contouren te zien van een militair met een groene pet op. Kaarsrecht staat hij in de houding naast het laatste verharde stukje. Vijftien four-wheel drive's stuiven hortend en stotend de kale steppe op, ieder voor zich zoekend naar het juiste spoor om de voorste auto niet uit het oog te verliezen, een zwarte Landcruiser met het kenteken d001. De eenzame soldaat blijft salueren tot de laatste auto voorbij is geraasd.

In de Afghaanse hoofdstad Kabul zetelt de interim-regering van president Hamid Karzai, die vorig jaar na de val van de Talibaan door de Amerikaanse regering in het zadel is geholpen. Eenheden van de internationale vredesmacht isaf patrouilleren er dag en nacht om de bevolking veiligheid te bieden en de president en zijn ministersploeg te beschermen. Daar smeden de Verenigde Naties, de talloze buitenlandse donoren en diplomaten hun plannen om Afghanistan financieel te ondersteunen.

Maar hier, in de noordwestelijke periferie die grenst aan Turkmenistan en Oezbekistan, is de hoofdrol weggelegd voor een andere belangrijke deelnemer aan het Afghaanse machtsspel. Zijn naam is Abdul Rashid Dostam. Hij is de inzittende van de D001 die de vijftien four-wheel drive's proberen bij te houden. De delegatie bestaat uit de Amerikaanse consul in Mazar-i-Sharif, Richard Norland, enkele hoge Indiase en Turkse diplomaten, vier vn-functionarissen en nog een reeks hoogwaardigheidsbekleders.

Hun missie illustreert de hoop van de internationale gemeenschap op vrede en stabiliteit in heel Afghanistan, maar laat tegelijkertijd zien hoe onzeker het is dat dat doel ooit bereikt zal worden.

De Oezbeekse generaal Dostam is een van de bekendste en meest controversiële krijgsheren in de ruim 20-jarige geschiedenis van de Afghaanse burgeroorlog. Na de verdrijving van de Talibaan heeft hij een nieuwe pet opgezet: die van politicus en vredestichter. 'De tijd is aangebroken om een groot voorbeeld te stellen, om een moderne natie op te bouwen die vrij is, verenigd, vreedzaam en veilig', sprak hij in mei vorig jaar tijdens de regionale voorverkiezingen van afgevaardigden naar de Loya Jirga, de grote vergadering van stamdoudsten die in juni Hamid Karzai tot interim-president benoemde. 'De toekomst is aan ons', zei Dostam. 'We moeten leren om onszelf weer te vertrouwen, en elkaar, om een nieuw Afghanistan op te bouwen.'

Schop over de schouders

Met die boodschap op zak zijn Dostam en zijn buitenlandse gasten nu op weg naar het plaatsje Andkhvoy, ongeveer veertig kilometer van de Turkmeense grens in de provincie Faryab. De afgelopen dagen heeft de regionale televisiezender in Mazar-i-Sharif in elk avondjournaal uitgebreid bericht over de rondreis van Dostam door de provincie. In de dorpen en steden die hij aandoet, spreekt hij de lokale bevolking toe en bedankt hij voor de steun voor zijn partij Jumbish-i Melli (Nationale Islamitische Beweging). Maar het hoogtepunt van elke uitzending zijn de beelden van lokale strijdgroepen die hun wapens inleveren onder zijn toeziend oog en dat van de opgetrommelde dorpoudsten. Dat is ook het scenario voor Andkhvoy: honderden mannen, velen nog in uniform, zullen hun geweren en granaatwerpers op een grote hoop gooien, om vervolgens af te marcheren met een schop over de schouder.

'Dank u voor het mogelijk maken van deze ontwapeningscampagne. Dank u voor uw persoonlijke betrokkenheid', had de Amerikaanse consul 's ochtends op de binnenplaats van Dostams hoofdkwartier in Sheberghan gezegd, toen de krijgsheer goedgeluimd uit zijn rozentuin aan kwam wandelen om zich gereed te maken voor zijn vertrek naar Andkhvoy. Omringd door tal van medewerkers en bezoekers tekende hij nog wat papieren op de kofferbak van een auto, maakte links en rechts nog een praatje, en liet zich vervolgens in sneltreinvaart de poort uitrijden. Tientallen mannen en vrouwen die op straat stonden te wachten met verzoekschriften in hun hand, hadden het nakijken.

Saulus of Paulus

Demilitarisering en ontwapening zijn de grootste uitdagingen waar Afghanistan op dit moment voor staat. Naast de min of meer reguliere legerkorpsen lopen er in het land nog honderdduizenden gewapende strijders rond die gehoorzamen aan regionale krijgsheren en lokale commandanten. Met hun onderwerping aan het centraal gezag staat of valt de vrede in Afghanistan. De meeste regionale machthebbers hebben hun steun betuigd aan de regering van Karzai. Maar hun loyaliteit is nog niet echt op de proef gesteld, hun militaire en economische machtsbases zijn tot dusver vrijwel ongemoeid gelaten.

De machtigste krijgsheer is de Tadzjiekse maarschalk Mohammad Qasim Fahim, commandant van de Noordelijke Alliantie die vorig jaar met omvangrijke Amerikaanse steun de Talibaan uit Afghanistan heeft verdreven. Als minister van Defensie en vice-president geldt hij als de sterke man achter de schermen in Kabul. De uit de Verenigde Staten overgekomen Afghaans-Amerikaanse hoogleraar Ashraf Ghani, een Pathaan, bedient als minister van Financiën de geldkraan. Fahim gaat over de wapens.

Twee andere prominente krijgsheren uit het kamp van de Noordelijke Alliantie hebben ervoor gekozen hun solidariteit met Karzai vooralsnog op afstand te belijden. In het westen van het land bestiert de Tadzjiekse gouverneur Ismail Khan de stad Herat en omgeving als een eigen koninkrijkje, profiterend van de tolinkomsten uit de handelsstroom tussen Iran en Pakistan. Ismail Khan heeft zijn zoon als minister van Luchtvaart en Toerisme naar Kabul afgevaardigd. Maar in Herat gaat hij vooral zijn eigen gang.

En in het noordwesten profileert de etnische Oezbeek Abdul Rashid Dostam zich nu als politiek leider van het vrije Afghanistan. Als plaatsvervangend minister van Defensie en als algemeen commandant van het 7de en het 8ste legerkorps in het noorden staat hij in de militaire hiërarchie onder Fahim. Maar hij is ook 'speciaal gezant van de overgangsregering' in het noorden, en aan die rol denkt hij in de toekomst het meeste plezier te beleven.

'Dostam heeft zijn militaire uniform niet meer gedragen sinds president Karzai op 21 maart naar het noorden kwam om hier het Afghaanse nieuwjaar te vieren', zegt Faizullah Zaki, hoofd van het bureau van het ministerie van Buitenlandse Zaken in Mazar-i-Sharif en woordvoerder van de generaal. 'Hij heeft geen geheime agenda. Hij steunt de regering van Karzai oprecht. Karzai is de persoon die het democratisch proces in dit land op gang kan brengen. Hij staat voor vrede, stabiliteit en wederopbouw. Dostam heeft zich als opdracht gesteld deze grote taak van ontwapening en civilisering in het noorden uit te voeren.'

Zo wordt zorgvuldig het beeld geschetst van een Saulus die in een Paulus is veranderd. Dat is wel even wennen voor waarnemers die de ontwikkelingen in Afghanistan de afgelopen decennia hebben gevolgd. De boerenzoon Dostam, geboren in 1955, is een beer van een vent, maar toont zich andermaal flexibel genoeg om zich op cruciale momenten te schikken naar de noden van de tijd.

Bloedbad

Dostam begon zijn carrière als vakbondsleider in de gasindustrie in het noordwesten van het land, die door de Sovjet-Unie was ontwikkeld. Hij vocht met zijn leger aan de zijde van de communistische regering tegen de mujahedeen, de islamitische verzetsbeweging in zijn land. De laatste communistische president Najibullah riep hem uit tot 'Held van de Afghaanse Republiek'. Maar dezelfde Najibullah moest in 1992 het veld ruimen, toen Dostam de zijde koos van de mujahedeen. Eerst steunde hij de door Tadzjieken gedomineerde regering van president Rabbani en generaal Massoud, die vorig jaar september door twee huurlingen van Al-Qaeda werd vermoord. En in 1994, toen de verschillende mujahedeen-milities onderling slag leverden om Kabul, flirtte Dostam met de moslim-extremistische Hezb-i-Islami van Gulbuddin Hekmatyar.

In mei 1997 werd Dostam zelf verraden door zijn tweede man, Malik, en moest hij overhaast wegvluchten uit zijn bastion Mazar-i-Sharif. Malik nam wraak, omdat Dostam zijn broer zou hebben laten vermoorden. Hij stelde de Talibaan in staat de stad in te nemen, maar Malik keerde zich twee dagen later weer tegen hen. Pas een jaar later kregen de Talibaan Mazar-i-Sharif vast in handen. Als vergelding voor hun zware verliezen van een jaar eerder richtten zij een bloedbad aan onder met name de Hazara-bevolking. In een steengroeve enkele kilometers noordelijk van Mazar-i-Sharif laat een van de arbeiders de plek zien waar de lichamen van meer dan 120 slachtoffers werden gedumpt. Menselijke botten en kledingresten steken uit de grond. 'De Talibaan brachten de lijken met een vrachtwagen en gooiden ze hier neer. Omdat het zo stonk, hebben wij er zand en stenen overheengegooid', vertelt hij.

Met het verlies van Mazar-i-Sharif en zijn daarop volgende ballingschap in Turkije leek Dostams rol uitgespeeld. Maar medio 2001 meldde hij zich weer aan in de gelederen van de Noordelijke Alliantie. Die leek toen nog in een vergeefse strijd gewikkeld met de oppermachtige Talibaan, maar na de terroristische aanslagen van 11 september in de vs keerden de kansen. Na het begin van de Amerikaanse luchtaanvallen in Afghanistan in oktober vorig jaar trokken de troepen van de Noordelijke Alliantie ten aanval. Dostam was een van de krijgsheren die profiteerden van de Amerikaanse steun. Samen met de troepen van de Tadzjiekse commandant Mohammad Atta en die van Hazara-leider Mohammad Mohaqeq, nu minister van Planning, veroverde zijn leger het noordwesten van Afghanistan op de Talibaan.

Meedogenloze reputatie

Ongeveer tien kilometer ten westen van Mazar-i-Sharif rijzen tussen de katoenvelden de lemen muren op van het fort Qala-e-Jangi (Huis van Oorlog), het militaire hoofdkwartier van Dostam. Dat werd in november 2001 wereldnieuws, toen een opstand uitbrak onder honderden gevangen genomen strijders van Al-Qaeda en de Talibaan. Ze hadden handgranaten en messen onder hun kleding verstopt en wisten het munitiedepot in handen te krijgen. Enkele arbeiders scheppen puin bij een zwaar beschadigd gebouw.

Door de gaten in de betonnen vloer is de ijzeren trap te zien die naar een donker keldercomplex voert. Na zes dagen van bloedige strijd, waarbij ze werden bestookt door artillerievuur en Amerikaanse raketten, trokken de laatste opstandelingen zich hierin terug. Onder de 86 overlevenden was de Amerikaanse Talibaan John Walker Lindh. 'We lieten water in de kelder lopen', vertelt een militair die bij de bestorming aanwezig was. 'Maar pas na vijf dagen gaven ze zich verkleumd over.'

Achteraf is gebleken dat Dostam de toezegging had gedaan de gevangenen te zullen overdragen en dat hij werd verrast door de opstand. Ten tijde van het bloedbad gingen velen ervan uit dat hier sprake was geweest van een opzettelijke liquidatie. Dostam heeft een meedogenloze reputatie. In zijn boek over de Talibaan beschrijft de Pakistaanse publicist Ahmed Rashid hoe Dostam er niet voor terugdeinsde om zijn eigen soldaten te straffen door ze onder de rupsbanden van een tank te vermorzelen. De Verenigde Naties doen inmiddels onderzoek naar de dood van honderden Talibaan die na hun overgave in Kunduz in opdracht van Dostam in containers werden gestopt en de verstikkingsdood stierven. De speciale Afghanistan-gezant van de Europese Unie, Klaus-Peter Klaiber, refereerde vorig jaar aan Auschwitz, na een bezoek aan een gevangenis bij Sheberghan waar Talibaan zaten opgesloten. 'Ze zijn vel over been en worden behandeld als vee', zei hij.

Dostams woordvoerder Zaki reageert gelaten op al die steeds weer terugkerende beschuldigingen aan het adres van zijn baas en de andere noordelijke krijgsheren. 'Weet u nog wat ze een jaar geleden deden? De troepen van de Noordelijke Alliantie vochten tegen de Talibaan en tegen het internationaal terrorisme, en ze hebben ze verslagen. En nu worden ze van alle kanten beschuldigd en beschimpt. Dat is toch wel een beetje vreemd, vindt u ook niet?'

Zaki zegt ook een beetje moedeloos te worden van al die verhalen dat de strijd tussen Dostam en zijn Tadzjiekse tegenspeler Atta in Faryab en omgeving steeds weer oplaait. 'Dat is een misverstand. Ik geef toe: er zijn schermutselingen tussen lokale commandanten, maar dat zijn persoonlijke vetes over een stukje grond en dergelijke. Dat betekent niet dat Dostam en Atta vechten. Daar hebben ze geen reden voor. Beiden zijn slim genoeg om zich als regionale leiders te realiseren dat dit een periode van wederopbouw is', zegt hij. 'Elke keer als er schermutselingen zijn, komen ze met een gezamenlijke verklaring waarin staat dat deze avonturiers moeten worden ontwapend. Maar dat gaat niet van de ene op de andere dag. Waarom spreken we van een overgangsperiode? We maken de overgang van een post-oorlog-situatie naar duurzame vrede en stabiliteit. Wie denkt dat dat zonder enig probleem, van de ene op de andere dag kan gebeuren, is naïef.'

Andere medewerkers van Dostam mengen zich in het gesprek. 'In de media wordt een verkeerd beeld geschetst van het noorden. Alsof het hier alleen maar moord en doodslag is. Maar het is hier veiliger dan in Londen of bij u in Rotterdam. Waar werd Karzai eerder dit jaar bijna vermoord? In Kandahar. Daar hoor je niets meer over. Als zo'n aanslag in het noorden was gepleegd, zou iedereen moord en brand hebben geschreeuwd.'

De medewerkers onderstrepen dat Dostam, in tegenstelling tot 'de mullahs die het in het zuiden van Afghanistan voor het zeggen hebben', voorstander is van een seculiere staat. In één adem stippen ze nog een gevoelig punt aan: de economische achterstelling van het noorden. 'U bent over de weg van Kabul naar Mazar-i-Sharif gereden en u hebt al die vernielde bruggen gezien. Die hadden als eerste hersteld moeten worden, maar er is nog niets gebeurd. De internationale gemeenschap heeft miljarden dollars beloofd voor de wederopbouw van Afghanistan, maar er is nog geen cent geïnvesteerd in het noorden. Elke keer als Dostam met Karzai praat, zegt hij: U moet hier investeren, de mensen worden ontevreden. Hier in het noorden zijn we begonnen met het verzet tegen de Talibaan, al ver voor de 11de september. Pas daarna is het zuiden bevrijd. Wat moet de regering doen? Het noorden belonen. Maar dat doet ze niet. Ze probeert het noorden te negeren.'

Gouden kans

Maar generaal Dostam laat zich niet negeren, zo blijkt de volgende dag, als we in zijn gevolg op weg gaan naar Andkhvoy. Een groep lokale zakenlieden heeft aangeboden te investeren in de aanleg van een nieuwe weg naar het dorp. De namen van de gulle gevers worden opgesomd vanaf een met tapijten bekleed podium. Duizenden mannen en vrouwen zijn toegestroomd om hun politiek leider te verwelkomen, als hij het dorp binnenrijdt.

Dostam houdt een toespraak. Zaki vertaalt: 'Hij bedankt Karzai en Fahim voor hun werk voor de wederopbouw en stabiliteit in Afghanistan. Hij bedankt de goede commandanten voor hun opofferingen in de strijd tegen de Talibaan. Hij kritiseert de lokale commandanten die hun wapens niet inleveren. Ze moeten hun aanzien niet baseren op het gebruik van wapens, maar ze moeten het verdienen door zich in te zetten voor de bevolking. Journalisten vragen mij: waarom begroet de bevolking u zo hartelijk? Mijn antwoord is: omdat ik niet tegen de mensen lieg, ik misleid hen niet.'

Ook Dostam klaagt dat de media hem vaak in een kwaad daglicht hebben gesteld. Een bijeenkomst als deze wordt in Kabul niet uitgezonden op de televisie. 'Wij werden ervan beschuldigd dat we de mensenrechten schenden en oorlog voeren. Laten we dat beeld veranderen. De internationale gemeenschap heeft zich achter de wederopbouw van Afghanistan geschaard. In Kandahar, Jalalabad en andere plaatsen is men al begonnen. In het noorden is nog niets begonnen. Laat dat snel gebeuren. Hier in het noorden zullen we niemand toestaan zich zo te gedragen dat deze gouden kans voor Afghanistan teniet wordt gedaan.'

Vanachter de mensenmassa voor het podium komt een lange rij soldaten aangewandeld. Ze komen hun wapens inleveren. 'Als algemeen commandant dank ik de commandant van de 53ste divisie voor zijn medewerking en nodig ik de manschappen uit hun wapens neer te leggen. Slechts tweehonderd gewapende soldaten hoeven op het hoofdkwartier te blijven. Dat is genoeg voor het garanderen van de veiligheid. De anderen moeten hun wapens inleveren en de schoppen oppakken om wegen te gaan herstellen', zegt de politicus Dostam.

De Amerikaanse consul, een soldaat van de Special Forces en een agent van de geheime dienst kijken toe hoe de stapel oude geweren, Kalashnikovs, bazooka's en ander wapentuig steeds groter wordt. De ceremonie duurt ruim een uur. Als Dostams konvooi het dorp weer uitrijdt, blijkt de zandweg te worden geblokkeerd door tientallen vrachtwagens. Mannen scheppen zand vanaf de laadbakken in de talloze kuilen in de weg.

Zo begint de wederopbouw in Andkhvoy. 'Wij en de vn geven onze diplomatieke steun zolang alle partijen meedoen', zegt de Amerikaanse consul. Halverwege de terugrit naar Sheberghan stopt de d001 plotseling in de lege steppe. Dostam wacht zijn achtervolgers op. 'Wat gebeurt er nu met de ingeleverde wapens?', vraagt consul Norland. 'Worden ze op een voor de vn controleerbare manier opgeslagen?'

Dostam kijkt even om zich heen. 'Jazeker', antwoordt hij dan. 'En mag ik dan nu de heren diplomaten uitnodigen om vanavond met mij de maaltijd te nuttigen?' M

Wim Brummelman is buitenlandredacteur van NRC Handelsblad

Bas Czerwinski is freelance fotograaf.

[streamers]

Dostam is speciaal gezant van de overgangsregering en aan die rol denkt hij het meeste plezier te beleven.

Zorgvuldig wordt het beeld geschetst van een Saulus die in een Paulus is veranderd.

'Men vraagt mij: Waarom begroet de bevolking u zo hartelijk? Mijn antwoord is: Omdat ik niet tegen de mensen lieg.'