De witwasmachine

In Bollywood, het hart van de Indiase filmindustrie, kan een grote film tegenwoordig wel tien miljoen dollar kosten. Hoe kom je aan dat geld, en aan de sterren? Tegelijkertijd doen juist de kleine films het goed, soms zelfs beter, ook in het buitenland. Ze herinneren Indiërs in de diaspora eraan dat Indiër zijn net zoiets is als fietsen: je verleert het nooit.

Devdas, een in 1917 geschreven Indiase tragedie door literator S.C. Chatterji, over een man die zich in de armen van een prostituee stort en zich doodzuipt omdat hij wegens een kasteverschil niet met zijn ware geliefde kon trouwen: de eerste verfilming in 1928, in de geluidloze periode, moet zeker duizend dollar hebben gekost.

De tweede versie in 1955, met geluid, maar in zwart-wit, werd een klassieker. Die kostte naar schatting 10.000 dollar.

Voor de derde versie, in 2002, had maker S.L. Bhansali 10 miljoen dollar nodig: de duurste Indiase film aller tijden.

Hoe kom je aan 10 miljoen dollar? Je stapt naar Bharat Shah, een diamantair met zijn basis in Antwerpen. Er zit veel geld in de diamanthandel, maar heb je dan gewoon 10 miljoen dollar in je achterzak voor iets wat niets met je handeltje te maken heeft?

Je moet de diamantair op z'n minst kunnen vertellen waarom de film 10 miljoen dollar moet kosten, terwijl een flink dure film tegenwoordig voor 5 tot 6 miljoen dollar te maken is.

Tja, de maker wil de drie grootste sterren van deze tijd hebben en hun honorarium begint bij 1 miljoen dollar. Een redelijk honorarium voor een superster, zou men zeggen, maar er zit een haakje aan: zeker 60 procent moet zwart worden uitgekeerd, gestort op een Zwitserse rekening. Supersterren en de Indiase fiscus staan op behoorlijk gespannen voet met elkaar.

Maar dat is pas probleem nummer één.

Probleem nummer twee is dat de topsterren al voor drie jaar zijn volgeboekt. Je moet ze ertoe verleiden heel wat projecten af te zeggen, want de meestesterren maken per jaar zo'n zes tot tien films, niet zelden tegelijk, en dan zijn er de live shows, zowel in India als in het buitenland, en andere optredens voor huwelijksfeesten waar ze voor 100.000 dollar een dansje doen om het feest wat op te fleuren.

Je moet ze verleiden, of je moet ze dwingen. En de diamantair heeft contacten.

Meestal ontvangen de filmsterren een telefoontje van iemand die zich aankondigt als bhai, wat letterlijk broeder betekent, maar in werkelijkheid zoiets is als `peetvader' in de maffia. Criminelen houden van familie-associaties en er zijn verscheidene bhais, van wie de drie grootsten zich ophouden in respectievelijk Pakistan, Dubai en Zuid-Afrika. De Indiase politie kent ze met naam en toenaam en soms zelfs hun telefoonnummers, maar ze blijven ongemoeid.

Zo'n bhai belt dus naar een ster en zegt doodleuk dat hij wat ruimte nodig heeft in hun drukke agenda. Zes of zeven weken, dat moet toch kunnen? En wat zijn zes weken in vergelijking met de dood, van jou, een familielid of een naaste medewerker?

Niemand zegt dat Devdas op die manier tot stand kwam, maar feit is wel dat diamantair Bharat Shah door de politie werd gearresteerd, omdat hij tenminste telefonisch contact had gehad met een van de bhais. Shah verdween in de gevangenis, maar de derde versie van Devdas was al in wording.

De tien miljoen dollar werd besteed. Zeg maar drie voor de drie sterren, maar dan zijn er nog zeven over. Waar heb je zeven miljoen dollar voor nodig als je een geluidsman voor tweeduizend dollar een maand lang kunt inhuren? Oef, zeggen de producenten, dat was de goede oude tijd. Tegenwoordig kost een kostuumontwerpster al 20.000 dollar, laat staan de man voor de visuele effecten en degene achter de camera. En dan heb je de mensen voor de make-up, de choreograaf en ga zo door.

Het is een idiote boel geworden in Bombay, klaagt men, omdat de grote films steeds meer kosten en steeds minder opbrengen. Neem nou de 130 films van vorig jaar die meer dan 5 miljoen dollar per stuk kostten. Daarvan verdiende 90 procent de investering niet eens terug. Als men quitte speelt, is het al een box office hit. Vanuit welke logica?

De filmindustrie, zo is algemeen bekend, is voor een deel een witwasmachine. Zoals de grandioze hotels in India er uitzien als hemelse paleizen en altijd leeg staan, zo is ook een film een kanaal om zwart geld wit te wassen. En iedereen doet eraan mee, zoals de hele Indiase economie voor bijna de helft uit een zwart gedeelte bestaat, waar zelfs de top van de overheid bij betrokken is. Volgens cijfers van de Wereldbank maakt de zogeheten `parallelle economie' van India zeker 40 procent van het geheel uit. Tijdens de begrotingsbesprekingen vorig jaar zei de minister van financiën dat topambtenaren en politici die zichtbaar `boven hun stand' leefden strenger gevolgd zouden worden door de belastingdienst.

Daarom moet men de officiële cijfers altijd en immer met een korrel zout nemen. De Indiase economie is zeker voor de helft keurig geadministreerd, met carbonpapier in drievoud op vergeeld papier, maar de andere helft is duister, wat de criminelen niet slecht bevalt.

Dat geldt zelfs in de wereld van de bedelarij: wil je bedelen op een bepaalde hoek van de straat waar het stoplicht lang op rood blijft staan, waardoor je de tijd hebt om langdurig te tikken tegen de ruiten van de auto's? Dan is de afdracht 's avonds aan de lokale baas (een kleine bhai, zeg maar) hoger dan op hoeken waar het licht korter op rood blijft.

Is het zielig voor de sterren dat ze opgebeld en bedreigd worden door de bhais? Men weet intussen wel dat het niet bij bedreigingen blijft. Een beroemde muziekdistributeur werd doodgeschoten, als ook de persoonlijke secretaresse van een actrice, en de vader van een superster werd door een kogel verwond. Het is menens, maar is het zielig?

De moeilijkheid is dat de meeste filmsterren in hun begintijd, als ze nog geen sterren zijn, zelf hulp zoeken bij de bhais. Of zij hen niet kunnen helpen aan een rolletje in een film, want het is dringen op de filmmarkt van Bombay, waar wekelijks zeker honderd nieuwe potentiële acteurs en actrices aankomen om het te maken in de wereld van glitter en glamour.

Zo'n bhai heeft relaties en hij regelt iets voor je, tegen een klein percentage van je loon, en je hebt een rol. Word je een flop, dan moet je hem alleen een vergoeding betalen. Word je een hit, dan ben je voorgoed zijn slaaf of slavin. Dat geldt voor veel meer sterren van India dan men denkt. Zo gaf de Indiase politie recentelijk een geluidsband vrij waarop duidelijk het gesprek te horen was tussen de bhai uit Pakistan en de beroemde filmster Sanjay Dutt. Filmsterren die genoeg hebben van hun ketens vragen, en krijgen, speciale politiebescherming – hoewel ze tegenover de rechter meestal ontkennen dat ze voorheen goede banden onderhielden met de bhais.

Wat niet wil zeggen dat er geen principiële mensen rondlopen in de Indiase filmwereld. Aamir Khan bijvoorbeeld, producent van de film Lagaan die vorig jaar een Oscarnominatie kreeg, stapte gewoon naar de een grote Duitse bank voor een krediet van vijf miljoen dollar. Maar hij had een volledig uitgewerkt scenario, een serieus verhaal en zelfs een strak oproepschema, een zogeheten callsheet, waarop exact stond wie op welk tijdstip waar aanwezig moest zijn en hoeveel dagen er precies gefilmd zou worden. Aamir Khan stopte ook een miljoen dollar van zijn eigen geld in het project en was buitengewoon gedisciplineerd. De bank nam hem serieus en Lagaan werd de eerste big budget-film die niets te maken had met de bhais. Het kwam Aamir Khan op continue politiebescherming te staan, want de bhais waren tamelijk beledigd.

Er zijn ook variaties op het thema: sponsors als Coca-Cola of andere dranken en lekkernijen, die hun producten opvallend etaleren in de films. Er is ten minste één film waarin het drinken uit een flesje Coca-Cola nadrukkelijk deel uitmaakt van het liefdesverhaal. En Devdas, waar de held zelfs sterft aan de drank, is gesponsord door een Indiaas alcoholmerk.

Merchandising, het verkopen van poppen, petjes, T-shirts, vliegers en computergames rond de films, komt in India minder voor. Het eerste geld wordt verdiend aan de cd. Elke Indiase film bevat vier of vijf liedjes, die meestal een paar maanden voor de film af is worden uitgebracht. Daarmee vloeit het eerste geld binnen. Sommige films worden gigantische flops, terwijl alles wordt goed gemaakt door de bijbehorende cd.

Als de film eenmaal klaar is, beginnen de onderhandelingen over de distributie. India is verdeeld in verschillende regio's, en elke regio heeft zo zijn voorkeur voor bepaalde stijlen en sterren. Een megaster als Sharukh Khan, die hoofdpersoon Devdas speelt, `verkoopt' bijvoorbeeld voor geen stuiver in het noorden, in deelstaten als Uttarpradesh en Bihar, waar 100 miljoen mensen wonen. Maar hij is een God in de rest van India en ook in Engeland en Amerika dragen de 20 miljoen Indiërs in diaspora hem op handen.

Dat verschijnsel, het verdienen aan de Indiase diaspora, is vrij nieuw. Het is eigenlijk pas midden jaren negentig begonnen met de film Dilwale Dulhaniya Le Jaenge, die tot tweemaal toe op de Nederlandse televisie is vertoond (en besproken in het Cultureel Supplement op 10 april 1998).

De film had een budget van 7 miljoen dollar, waarvan maar liefst de helft in Engeland en Amerika werd terugverdiend. Het was dan ook de eerste Indiase film die de in het buitenland wonende Indiërs serieus nam en de morele les meegaf dat, waar je ook bent of woont, je de `Indiase waarden' nooit zult vergeten. Indiër zijn is net als fietsen: je verleert het nooit.

Steeds meer films zijn sindsdien gericht geweest op Britse en Amerikaanse Indiërs, die per slot van rekening bijna tien keer meer betalen voor een kaartje dan Indiërs in India. Maar er is een verzadigingspunt bereikt en ook de buitenlandse Indiërs hebben genoeg van de routineuze zang-, dans- en huildrama's die Bombay jaarlijks met 900 stuks tegelijk levert.

De kloof wordt groter, tussen enerzijds de films met buitengewoon kleine budgetten van nog geen miljoen, zoals Monsoon Wedding van Mira Nair en Mr. and Mrs. Iyer van Aparna Sen, en anderzijds de `grote' films van 10 miljoen als Devdas.

Het gekke is dat de kleine films als Monsoon Wedding (over een huwelijk in de middenklasse) en Mr. and Mrs. Iyer (over de reis van een hindoevrouw en een moslimman in een bus) verhoudingsgewijs veel meer opbrengen dan de grote. Monsoon Wedding bracht maar liefst 30 miljoen dollar op en Mr. and Mrs. Iyer gaat dezelfde kant op, met veel prijzen in het buitenland – Monsoon Wedding werd in 2001 bekroon met de Gouden Leeuw op het filmfestival van Venetië – en volle zalen in India zelf.

Zo winstgevend zal een film als Devdas nooit worden, maar wat maakt Devdas zo onvoorstelbaar duur? De film zal de officiële inzending van India zijn voor de Oscars, wat een belachelijk idee is. Er wordt slecht en overdreven geacteerd, de liedjes zijn niet bijzonder, de choreografie is niks en ook aan het originele verhaal van S.C. Chatterji is zo geknoeid dat er weinig spannends van overblijft.

Maar oei, het decor beneemt je de adem. Er zou een nieuwe categorie voor de Oscars moeten komen: een prijs voor de mooiste gordijnen, want mooiere gordijnen dan in Devdas zijn er niet. En de sari's die de vrouwen dragen – laten we die ook maar een soort gordijnen noemen, maar dan gedrapeerd rond de vrouwenlichamen – je weet niet wat je ziet, allemaal zorgvuldig met de hand gemaakt en zo indrukwekkend dat je je in een droomwereld van textiel waant. Lappen van één stuk, niet aan elkaar genaaide stroken, maar doeken van 40 bij 50 meter, die zacht meewaaien met de droeve dranklucht die de film omgeeft... Het mag wat extra hebben gekost, ja.

Devdas is een succes geworden, wat wil zeggen: de 10 miljoen dollar is er bijna uit. Maar de verschaffer van die dollars, die zit er nog steeds in – in de gevangenis. Je zou het bijna onrechtvaardig vinden, gezien de schoonheid van de gordijnen.