De staat, dat zijn de dijken

In kinderboeken en streekromans over de watersnoodramp van 1953 is de dijk geen ding, maar een levend wezen. Wij zijn gehouden de dijk te helpen. Het noodlot van een verwaarloosde dijk confronteert de mensen met hun zelfzuchtigheid die de ondergang inluidt. Dat staat in de boeken die Herman Vuijsje heeft gelezen.

Ik heb een kleine verzameling kinderboeken en streekromans over de watersnood van '53. Het zijn kloeke delen, ingebonden, voorzien van titels als Toen de stormvloed kwam, In de greep van de waterwolf, Storm over Nederland en God schudde de wateren. Ook inhoudelijk lijken die boeken op elkaar. Nederland was nog lamgeslagen. Keer op keer werd de verbijsterende nietigheid van de mensen tegenover het natuurgeweld verwoord en herhaald – alsof deze recitatie achteraf het onbegrip van de overlevenden had kunnen verminderen. Steeds worden de mensjes beschreven als klein, ondergeschikt, afhankelijk en gehoorzaam: aan de gemeenschap, de kerk, het land, de dijk. Vooral aan de dijk, als het erop aankwam.

De dijk is geen ding in deze boeken. Het is een levend wezen. In rustige tijden een logge reus, een ruige lobbes, met een groene kruin en een schouder van basalt. De `waker' houdt ons veilig in zijn arm omsloten, verderop ligt de slaper te dutten. Tot ook de zee tot leven komt en `haar diepe stem verheft.' De zee – dat is een leger van watersoldaten, die bij storm met begerige tongen aan de dijk komen likken. Een vertoornd monster met honderdduizenden beweeglijke ruggen. ,,Het waterbeest kruipt omhoog tegen de dijk en het vreet een stuk uit z'n lende.''

Dan ligt de dijk ,,met zijn lange kronkelende lijf te sidderen onder de harde slagen. Een kampvechter, die reeds geveld was maar de strijd nog niet opgaf.'' Dan schreeuwt hij, stuiptrekkend, zieltogend, om hulp. Maar wie zou hem kunnen bijstaan in dit uur van zijn torment? Wij, en wij alleen. ,,Het was of hij de handen uitstrekte naar de mensen die zich opmaakten om hem te helpen in zijn meedogenloze strijd.''

Wij mensen zijn gehouden de dijk te helpen. Er is een bijna religieuze verwevenheid tussen hem en ons: ,,Wij en de dijk zijn één, wij hebben hem gemaakt en hij ons. De huizen die onderlangs de dijk staan, zijn als kleine rustige dieren naast een grote beschermende moeder.'' Maar de dijk kan ook een harde meester zijn. In de omgang tussen mens en dijk worden geen lieverkoekjes gebakken – alles eraan is bittere ernst. De mensen zijn nietig en hebben `dijkplicht'. De dijk is groot en machtig en heeft `recht'. Wie zijn dijkplicht verzaakt, wie de dijk niet geeft wat hem toekomt, die zal door de dijk worden uitgestoten.

Het noodlot van een verwaarloosde dijk confronteert de mensen met hun begeerte en hun hoogmoed. Met hun zelfzuchtigheid, die, vermenigvuldigd met de baatzucht van hun buren en magen, de ondergang van allen heeft bewerkstelligd. Ook dit bittere inzicht wordt steeds weer beklaagd in de boeken die kort na de ramp zijn geschreven:

,,Het is jouw schuld'', bulderde de zee.

,,Het is jouw schuld'', loeide de orkaan.

,,Het is jouw schuld'', kreunde de dijk.

Eersteling en pronkstuk van mijn 1953-bibliotheekje, waar ik als jochie al bij griezelde, is een boekje uit de Avontuur en Techniek-reeks. Het verscheen in 1954 en gaat over De Witte Dijkgraaf. Had hij een duister verbond gesloten met de elementen? Bij nacht en ontij zag men hem over de dijk stuiven, zijn lange witte baard wapperend in de storm. Maar de hoeven van zijn witte hengst maakten geen enkel gerucht en zij raakten de kruin niet... het was vlakbij de plek waar hij jaren geleden door de zee was verzwolgen.

Later begreep ik dat De Witte Dijkgraaf een vrije bewerking is van Theodor Storms klassieke novelle Der Schimmelreiter, die zich afspeelt aan de Duitse Noordzeekust. De omstandigheden waren daar feodaal en de dijkgraaf vertegenwoordigde een grote macht. Hij besliste over leven en dood, was vaak grootgrondbezitter en had de rechtspraak in handen. Maar hij moest ook optreden in het belang van de ingelanden. Door die spanning raakte zijn verschijning omweven met angstaanjagende mythen en vertellingen. Zo raakte de gedreven jonge dijkgraaf en dijkenbouwer uit Storms verhaal in de ban van hebzucht en machtsbegeerte. Hij verzaakte zijn taak en ging bij een springvloed aan die begeerte ten onder.

In Nederland, met zijn veel democratischer traditie, werd de verhouding tussen dijkgraaf en ingelanden al vroeg geregeld door de vorming van waterschappen. De dijkgraaf is voorzitter van het dagelijks bestuur van een waterschap. Toch vertoonde het stelsel, zoals in 1953 bleek, grote tekortkomingen. Honderden Zeeuwse en Zuid-Hollandse polderautoriteiten keken alleen naar hun eigen stukje dijk. De instanties waren versnipperd; regionaal opportunisme vierde hoogtij. ,,De dijk beveiligt het eiland tegen het woedende water, en hij sluit onze polder af van de rest van de wereld'', zo staat het te lezen in God schudde de wateren. ,,Dat was wel het voornaamste: bij de dijk hield de wereld op.''

Sinds de vingerwijzing van '53 hebben we de organisatie van de waterkering in Nederland bij de tijd gebracht. Waterschappen zijn uitgegroeid tot grote conglomeraten. Hun democratisch gehalte is toegenomen: allerlei belangen worden tegen elkaar afgewogen. Toch is er een krachtig en slagvaardig bestuur, dat – gehoord alle meningen – besluiten neemt: het waterschapsbestuur onder leiding van de dijkgraaf, op de vingers gekeken door Rijkswaterstaat.

In de Wet op de Waterkering zijn de verantwoordelijkheden voor onze veiligheid eenduidig toegeschreven. De belangrijkste primaire waterkeringen, zoals de Deltadammen, worden beheerd door het rijk. Andere waterkeringen vallen onder de waterschappen, die zich periodiek tegenover regering en parlement verantwoorden omtrent de naleving van de wettelijk vastgelegde veiligheidsnormen. Dit gebeurt via de provincies volgens een streng hiërarchisch systeem.

De Wet op de Waterkering werd in 1996 van kracht. Na de ramp is dus ruim veertig jaar gewerkt aan een sterk en op wetgeving gebaseerd systeem dat ons uit de greep van de waterwolf moet houden. In diezelfde periode verdween het besef van nietigheid, afhankelijkheid en plichtsbetrachting dat in het leven van Nederlanders altijd zo'n belangrijke rol had gespeeld. Het diepe gevoel van machteloosheid en onderworpenheid maakte plaats voor een even diep geloof in zelfstandigheid en autonomie.

Misschien kwam het daardoor dat we bij het ontwikkelen van ons algemeen bestuurlijk systeem precies de tegengestelde richting zijn ingeslagen als in de waterkering. In het openbaar bestuur gingen we de afgelopen decennia met volle kracht back to the future. We riepen `poldermodel', maar hebben per abuis het oude model overgenomen – het model dat de ramp van '53 veroorzaakte door versnippering, verwaarloosd toezicht, financiële kortzichtigheid en onmacht van de centrale instanties.

Net als in het waterschapsmodel wordt in het bestuurlijke poldermodel door talloze partijen overlegd – maar we zijn daarbij iets vergeten: een sterk uitvoerend en toezicht houdend bestuur onder leiding van de dijkgraaf. Zo'n autoritaire figuur vonden we eng, die hadden we niet meer nodig. Voortaan waren we mans genoeg om onze eigen hoefslag te onderhouden. Ergens in de jaren zeventig is de dijkgraaf op een donkere nacht uit het gemeenlandshuis gehaald, waarna nooit meer iets van hem is vernomen.

Nu de plaatselijke boeren en burgers het voor het zeggen hadden gekregen, gingen financiële overwegingen een belangrijker rol spelen bij de organisatie van het openbaar bestuur. Het dijkbeheer werd geprivatiseerd en ook de dijkbewaking werd overgedaan aan een particuliere firma. Daardoor kon het dijkgeschot omlaag, de belasting die de ingelanden moeten betalen tot onderhoud van de dijken. Van het uitgespaarde geld werden koeien bijgekocht en stallen gebouwd.

De polders in Nederland lagen er rijk en bloeiend bij, de boeren werden schatrijk door wat het land hun gaf. Maar stilaan begon de dijk te lekken. Bij de boer verderop. In de volgende polder. Daar deden ze er niets aan, dus lieten wij het ook maar zo toen het op onze eigen hoefslag ging sijpelen. Door Godes goedertierenheid zijn we nog gespaard gebleven voor een fataal giertij en een dijkval die de hele polder wegvaagt. Wel waren enkele ernstige dijkdoorbraken het gevolg, waarbij halve dorpen door de vloedgolf zijn weggespoeld.

Het heeft ons op hoge kosten gejaagd – veel hoger dan die van regelmatig en verantwoord onderhoud en toezicht waren geweest. Niet alleen financiële kosten, ook onherstelbare menselijke kosten. Tientallen slachtoffers, onder wie veel kinderen, zijn de afgelopen jaren verdwenen in de diepte van de kolk.

,,Het is jouw schuld'', loeide de orkaan.

,,Het is jouw schuld'', bulderde de zee.

,,Het is jouw schuld'', kreunde de dijk.

Nu zouden we wel weer een sterke dijkgraaf willen om ons bestuurlijk poldermodel van nieuwe daadkracht te voorzien. Maar waar halen we die vandaan?

Al wat we aantreffen is een ruiter met een lange witte baard, wapperend in de storm... een spookfiguur, galopperend over de dijk, vlakbij de plek waar we hem met vereende krachten in de golven hebben gegooid.

Herman Vuijsje is socioloog.