De ramp

De watersnoodramp staat gegrift in het collectieve Nederlandse geheugen. Vandaag vijftig jaar geleden, in de nacht van 1 februari 1953, sloeg een zware noordwesterstorm het water op talloze plaatsen door de dijken van Zeeland, de Zuid-Hollandse eilanden en West-Brabant. De schade was immens – meer dan achttienhonderd doden, duizenden hectares land onder water, de veestapel verloren, boerderijen, schuren, gebouwen, dorpen vernield. De schok was zo mogelijk nog groter. Nederland was amper bekomen van de Tweede Wereldoorlog en de wederopbouw was met het Marshall-plan nog maar net begonnen.

Bij de herdenking van de ramp van vijftig jaar geleden vallen de contrasten op met de beleving van hedendaagse catastrofes. Risico's, natuurlijk of door mensen gemaakt, zijn van alle tijden. Maar tegenwoordig is een dramatische gebeurtenis onmiddellijk bekend. Er liggen noodplannen gereed, cameraploegen rukken uit, hulpverleners en traumaverwerkers staan klaar. Internet, satellietverbindingen, tv-beelden, vroegtijdige waarschuwingssystemen en hoogwaardig uitgeruste rampenteams zijn een vanzelfsprekendheid in het moderne bestaan. Maar in die dramatische dagen en nachten van februari 1953 was er niets van dat alles. De zuidwesthoek van Nederland was een arm, agrarisch, achtergebleven en geïsoleerd gebied. Hoewel de dijkdoorbraken en overstromingen zich onder de rook van Rotterdam afspeelden, duurde het dagen voordat de volle omvang van de ramp doordrong. De hulpverlening kwam traag op gang en aan nazorg werd in het geheel niet gedacht. Voor velen in het getroffen gebied kwam de ramp als een gesel Gods en men vond troost in het geloof dat de Heer heeft gegeven en heeft genomen. Tegen de kracht van de natuur kon de mens zich niet verweren.

Toen het water tot bedaren was gekomen, kwam er hulp op gang van de overheid, van burgers uit het land en uit het buitenland. Er was een ongekende solidariteit met de slachtoffers. De overlevenden in de getroffen gebieden pakten de draad van hun geschonden leven weer op. Met een grimmige vastberadenheid werd het herstel ter hand genomen. Aan de watersnoodramp dankt Nederland het Deltaplan, in enge zin bedoeld om de Zeeuwse, Zuid-Hollandse en West-Brabantse bevolking te beschermen tegen een nieuwe stormloop van de zee, maar feitelijk uitgegroeid tot een nationale opdracht. Met voortvarendheid heeft Nederland de schouders gezet onder de Zeeuwse wapenspreuk Luctor et Emergo. Er werd niet oeverloos gepraat, vergaderd of gepolderd. Binnen een jaar waren de plannen uitgewerkt, er kwam geld en in 1958 werd de Deltawet aangenomen. Vanaf 1957, toen werd begonnen met de kleine Zandkreekdam tussen Noord- en Zuid-Beveland, tot de ingebruikneming van de doorlaatbare Oosterscheldedam in 1986 werden de Deltawerken uitgevoerd.

De ramp speelde zich af in een tijd van soberheid, zwart-witbeelden, politieke verzuiling en een sterk geloof. Nederland is in vijftig jaar onherkenbaar veranderd, in veel opzichten verbeterd. Maar die noeste wilskracht om een collectieve uitdaging aan te gaan, heeft zich sindsdien bijna nooit meer getoond. Wie nu plannen maakt, ziet gewoonlijk pas na vijftien jaar het eerste resultaat. Alleen toen in 1995 de grote rivieren massaal buiten hun oevers dreigden te reden – en het hier en daar ook deden – was er weer zo'n periode van doortastendheid. Het bleek mogelijk in twee jaar zo'n 300 kilometer aan dijken en kaden te versterken en nog eens ruim 600 kilometer in de jaren daarna. Er moeten geen nieuwe rampen nodig zijn om het gevoel van urgentie die deze deltaplannen uitstraalden, opnieuw te bereiken.