De natuur is dood, leve het milieu

Nog maar kort geleden maakte iedereen zich druk over de milieurampen die de wereld bedreigden. Maar van de ene dag op de andere lijkt het onderwerp niemand meer te interesseren.

Karel Knip over de handige wisseltruc, waarmee de Nederlandse overheid het milieu heeft gered, maar het landschap deed verdwijnen.

Abrupter dan een paar jaar geleden voor mogelijk werd gehouden heeft 'het milieu' afgedaan als politiek thema. In de afgelopen verkiezingsstrijd speelde het geen enkele rol meer. In die van vorig jaar ook al niet. In de laatste troonrede werd er niet meer inhoudelijk op ingegaan. De regelgeving op het gebied van milieu moest worden vereenvoudigd, zei de koningin. Daar bleef het bij.

Toen premier Lubbers in 1988 de euvele moed had de vorstin in de troonrede te laten zeggen dat het land schoner was geworden, met name lucht en water, brak de hel los. Dat kón gewoon niet waar zijn, iedereen wist dat de toestand rampzalig was. Toch kon het beeld in latere troonredes behoedzaam worden bevestigd, per slot is er een rijksinstituut dat de toestand van het milieu jaar in jaar uit vlak voor prinsjesdag in kaart brengt. De lucht wordt schoner, de overbemesting neemt af, zei het rivm (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu) in zijn laatste 'Milieubalans'. Premier Balkenende vond het niet de moeite waard dat in de troonrede te vermelden. Hij had net het milieu-ministerschap teruggebracht tot een staatssecretariaat.

Inmiddels is in Denemarken een jonge charismatische statisticus opgestaan die luidkeels verkondigt dat er goedbeschouwd nooit een milieuprobleem is geweest. Bjørn Lomborg drijft de spot met de gevestigde milieu-organisaties en met de goede oude Club van Rome en zijn stem is in Nederland duidelijk te horen. Zelden hebben natuur en milieu er op aarde zo goed voorgestaan als in deze jaren, zegt Lomborg. Zijn lijvige analyse The skeptical environmentalist vindt gretig aftrek, vooral onder die mensen die altijd al vermoedden dat dat milieugedoe onzin was, maar die wijselijk hun mond hielden. Zij maken zich op voor de definitieve deconfiture van de milieubeweging. En die van de Club van Rome.

Wie zich niet door de komende gebeurtenissen wil laten overvallen, staat voor de taak na te gaan hoe toch de zorg voor het milieu zo plotseling uit de publieke belangstelling kon verdwijnen. Zijn werkelijk bijna alle milieuproblemen opgelost, zoals laatst ook al de Volkskrant sugge- reerde, of is er eerder sprake van gewenning aan een langzame ramp? Een psychische aanpassing?

Met wat vrijmoedigheid valt te beweren dat de brede aandacht voor 'het milieu' zo halverwege de jaren zestig is ontstaan. De emotionele basis werd waarschijnlijk gelegd door de hippiebeweging met haar flowerpower en haar fel beleden afkeer van alles wat riekte naar conformisme en economische vooruitgang. En naar technologie en militarisme. Ook in Nederland maakte deze aversie zich van velen meester, bij de Hollandse hippies, bij Provo en later bij de kabouterbeweging van Roel van Duijn. Het was de tijd van de massale demonstraties tegen de oorlog in Vietnam. De betrokkenheid van bedrijven als Monsanto en Dow bij de productie van het ontbladeringsmiddel Agent Orange en het gruwelijke napalm werd die ondernemingen in de vs zwaar aangerekend.

Europa had de Vietnam-oorlog niet nodig voor de ontwikkeling van een afkeer van de chemische industrie. In de jaren zestig had zich een bijna onafzienbare serie schandalen voorgedaan die de reputatie van de industrie zwaar aantastte. Nederland kreeg er heel direct en van zeer nabij mee te maken. In 1961 bleek gebruik van het preparaat Softenon tot ernstige misvormingen te leiden bij ongeboren kinderen. In 1963 had Unilever een emulgator door zijn Planta-margarine geroerd die intense huiduitslag veroorzaakte. In hetzelfde jaar deed zich een ontploffing voor in een fabriek van Philips-Duphar in Amsterdam waarbij zoveel giftige dioxinen vrijkwamen dat de fabriek moest worden gesloten en afgebroken.

In 1967 liep de olietanker Torrey Canyon op de rotsen van Cornwall. Lekkage van het pesticide Endosulfan naar de Rijn bracht in 1969 een dramatische vissterfte teweeg. Omstreeks dezelfde tijd begon duidelijk te worden dat de kolonie grote sterns op de Waddeneilanden het slachtoffer was geworden van een chronische vergiftiging met de pesticiden die Shell in de Nieuwe Waterweg loosde. Het bedrijf had daar toestemming voor, zoals ook de Chemische Fabriek Naarden en het bedrijf Maschmeijer in Amsterdam toestemming hadden hun onbruikbare geurstoffen, die de lucht tot in de wijde omgeving verpestten, rechtstreeks op het oppervlaktewater te lozen. In 1971 ontplofte in Amsterdam de chemische fabriek Marbon.

In brede kring ontstond de overtuiging dat de industrie, de chemische industrie voorop, risico's nam die niet langer aanvaardbaar waren. In het buitenland was daar door Rachel Carson al eerder op gewezen. In 1962 had zij in haar boek Silent spring het misbruik van niet-afbreekbare insekticiden zoals ddt aan de kaak gesteld.

Vreemd genoeg behoorde het onheil dat in het fameuze 'Rapport aan de Club van Rome' van systeem-analist Dennis Meadows werd aangekondigd tot een heel andere categorie. Het rapport, waarvan de eerste concepten halverwege 1971 op universiteiten begonnen te circuleren, had helemaal niet zoveel aandacht voor dit soort vervuiling. Het schilderde in eerste instantie de problemen die een ongebreidelde bevolkingsgroei met zich mee zou brengen: voedselgebrek en uitputting van gondstoffen. Pas in laatste instantie vroeg het aandacht voor cumulatie van afval. In zekere zin was het een uitwerking van het al even verontrustende The population bomb dat de Ameri- kaanse ecoloog Paul Ehrlich in 1968 had uitgebracht.

Voor het eerst werd nu in een wereldomvattend rekenmodel nagegaan wat de wisselwerking was tussen bevolkingsgroei, welvaart, beschikbaarheid van voedsel en grondstoffen en het vrijkomen van afval. Dat dit ook gelijk al zulke onthutsende uitkomsten had, trof velen als een mokerslag. Alleen als snel en zeer resoluut zou worden ingegrepen - in de eerste plaats in het tempo waarmee de wereldbevolking toenam - zou een ramp nog zijn af te wenden. Het meest waarschijnlijk was dat de mensheid een periode van grote ellende tegemoet ging, veroorzaakt door een gebrek aan voedsel, een gebrek aan grondstoffen of een teveel aan vervuiling. Of misschien wel allemaal tegelijk.

Het ontzag dat er in 1972 was voor computers die gebruikmaakten van grote rekenmodellen is dertig jaar na dato bijna niet meer voor te stellen. Aan het 'wereldmodel' van Meadows had het mit (Massachusetts Institute of Technology) wel dertig jaar gewerkt, liet Meadows weten. Weinigen durfden de sinistere uitkomsten van het rekenwerk aan te vallen, al moet gezegd worden dat een knappe wiskundige van dsm, die het mit-programma eind 1972 wist te installeren op een van de computers in Heerlen, al snel enige twijfel kreeg over de betrouwbaarheid van de voorspellingen.

'Ramp bedreigt wereld' was de historische kop waarmee NRC Handelsblad op 31 augustus 1971 de krant opende. Het blad had een van de eerste concepten van Meadows' rapport in handen gekregen en maakte daar goede sier mee. Later, in 1972, zou adjunct-hoofdredacteur Wout Woltz in een vlammend pamflet de betekenis van het rapport opnieuw zwaar onderstrepen. 'Wees niet beleefd tegen mensen die meer dan twee kinderen willen hebben. Zeg dat het asociaal is.' 1972 was het jaar waarin ook

De Kleine Aarde, de Vereniging Milieudefensie en de Stichting Natuur en Milieu werden opgericht en het kersverse ministerie van Volksgezondheid en Milieuhygiëne ('Vomil') zijn eerste nota uitbracht: de Urgentienota Milieuhygiëne. Geen gewone nota.

Over het begin van de grote milieuverontrusting in Nederland hoeft dus geen twijfel te bestaan. Toen Nederland al een jaar na het verschijnen van het Rome-rapport praktisch zonder aardolie kwam te zitten, was de reputatie van het rapport definitief gevestigd. Dat het hier een boycot van Arabische staten betrof, en geen uitputting van grondstoffen, deed daar weinig aan af.

Achteraf kan men zich verbazen over het feit dat de grote milieuthema's die later het debat zouden beheersen - de smogvorming, de zure regen, het ozongat, het broeikaseffect, de biodiversiteit - nog totaal geen rol speelden in het rapport. Men zag het milieu vooral bedreigd door zware metalen - zoals lood, kwik, chroom - en door persistente pesticiden, zoals ddt. Dat laatste was een nagalm van Rachel Carsons Silent Spring. Wat het bovenmatig gebruik van fossiele brandstoffen betreft vreesde men vooral de directe opwarming die dat teweegbracht: de thermische verontreiniging.

Achteraf bezien, moet het rapport worden beschreven als een eerste oefening in het gebruik van grote computermodellen. Door oprecht verontruste wetenschappers met een wat naïef onderzoek en een naïef enthousiasme over de uitkomst. Het rapport geeft een schema van het gebruikte 'wereldmodel' dat ontroert door zijn simpele opzet. Maar het was al heel wat dat het rekenmodel überhaupt werkte zonder flagrante nonsens te genereren.

Dat de sinistere voorspellingen, die overigens alleen in Nederland en Japan tot echte commotie leidden, niet zijn uitgekomen hoeft dus geen verbazing te wekken. Nog steeds kent de wereld rijke reserves aan goud, kwik en zilver, terwijl die volgens de ruwe schattingen van Meadows al ruim voor het jaar 2000 uitgeput zouden zijn. Ook de aardolie is nog niet op, al komt de bodem in zicht. Toch gaat het te ver om het werk van Meadows te ridiculiseren. Ook de voorspellingen van de econoom Thomas Malthus in 1798 zijn niet uitgekomen, maar zijn beschouwing over de meetkundige reeks als model voor de bevolkingstoename (dezelfde als de exponentiële groei van Meadows) is een klassieker geworden.

Meadows zelf heeft keer op keer benadrukt dat zijn voorspellingen voornamelijk kwalitatief van aard waren en dat hij onzeker was over de snelheid van de verschillende processen in zijn model. Er valt aan toe te voegen dat Meadows' voorspellingen ook of vooral niet zijn uitgekomen doordat tijdig beleid werd ontwikkeld dat de ergste rampen heeft voorkomen. De verspilling van grondstoffen werd teruggedrongen, er kwam aandacht voor recycling en de mijnbouwkundige exploratie-inspanningen werden opgevoerd. Ook de stille lente van Carson is er niet gekomen omdat men, geschrokken, van gebruik van ddt en andere insekticiden afstapte. In de hoon van Bjørn Lomborg is voor dit soort observaties nauwelijk plaats.

Van belang is dat Meadows milieuvervuiling in de eerste plaats zag als een volksgezondheidsprobleem. Zijn 'wereldmodel' was in essentie een demografisch model en de vervuiling was daarin eenvoudigweg een factor die de sterftekans beïnvloedde. Ook in Nederland is milieuvervuiling lange tijd vooral als een volksgezondheidsprobleem beschouwd. Dat beeld moest wel veranderen toen er steeds meer milieuproblemen werden ontdekt die vooral de natuur, de bossen, de hei en de vennen, in gevaar brachten. Dramatisch in gevaar.

Het Nationaal Milieubeleidsplan (1989) van minister Nijpels, de eerste samenhangende milieunota die in ons land werd uitgebracht, omvatte dan ook maatregelen die zowel de mens als de natuur ten goede zouden komen. Of om preciezer te zijn: maatregelen die uitsluitend een volksgezondheidsaspect hadden en maatregelen die uitsluitend de natuur ten goede zoude komen. Aan de ene kant van het spectrum asbest, fijn stof, zwerfvuil, vervuild grondwater, geluidsoverlast en radioactiviteit, waar geen plant of dier wakker van ligt, aan de andere kant de zure regen en het broeikaseffect, de verdroging, vermesting en versnippering die geen van alle een bedreiging zijn voor de volksgezondheid.

Het was een aangenaam vooruitstrevende gedachte om de mens als onderdeel van de natuur te zien en om de natuur tegelijk een wezenlijke rol te geven in het welzijn van de mens. Holistisch leek het wel, geheel naar de tijdgeest. Toch had het milieu-ministerie minder definitief gekozen tussen 'mens-of-natuur' en 'mens-en-natuur' dan het zich liet aanzien. In de marge van het rapport werd stilletjes het begrip 'leefmilieu' geïntroduceerd als dat deel van het milieu dat alleen op gezondheid en welzijn van de mens van invloed was. Je had dus gewoon milieu en leefmilieu. Ja, er was zelfs zoiets als binnenmilieu. Dat was weer een deel van het leefmilieu dat alleen de thuiszitter beïnvloedde.

Het lijkt een woordenspel, het soort precisering dat alleen ambtenaren kunnen bedenken, maar dat was het niet. Door de betekenis van het ruime begrip milieu in te perken tot het soort milieu dat alleen op de mens van invloed was, kon het zó worden voorgesteld dat de uitbreiding van Schiphol het milieu ten goede zou komen. Een briljante vondst! Dankzij de aanleg van een nieuwe, vijfde landingsbaan kunnen - en zullen - er steeds meer vliegtuigen landen en opstijgen. Maar omdat die over minder mensen heen vliegen dan vroeger is er minder geluidsoverlast. En dus is het milieu ontzien. Het leefmilieu, om precies te zijn, al is precies zijn nu net niet de bedoeling. De economie kon groeien en toch nam de milieuschade af. De Schiphol-lobby noemde dit wonder brutaalweg 'de dubbele doelstelling'.

De inperking van 'milieu' tot 'leefmilieu' staat niet ver af van een ander foefje waarmee de overheid zich wat speelruimte verschafte. Dat was het besluit om in voorkomende gevallen de schadelijke emissies of afvalstromen niet in absolute eenheden uit te drukken maar te relateren aan het - immer groeiende - bruto nationaal product. Als dat zo uitkwam stelde de overheid zich tevreden met een 'ontkoppeling' tussen die twee. Als de milieuvervuiling maar net iets minder groeide dan de economie was al een flinke prestatie geleverd, vond de overheid. In zulke gevallen was opeens niet het resultaat maar de inspanning de norm. Terwijl toch de fysieke belasting van mens, dier en plant gewoon in absolute eenheden gemeten wordt.

Dat de zo verrassend milieuvriendelijke groei van het vliegverkeer op Schiphol gepaard zou gaan met een enorme stijging van de CO2-productie werd door niemand met zoveel woorden ontkend, dat zou ook lastig gaan. Het hoefde ook niet, want het wás niet erg. De CO2-productie van het internationaal vliegverkeer en de internationale scheepvaart wordt namelijk niet meegeteld in de nationale CO2-balans die Nederland op gezette tijden aan de vn moet laten zien. Dat er voor die vijfde baan vele vierkante kilometers polder onder het beton zouden worden gestort kon al evenmin worden ontkend. Maar ook dat was niet erg, want de Haarlemmermeerpolder is immers geen natuur.

Of zou de Haarlemmermeer wél 'natuur' zijn? Vreemd genoeg bestaat daarover nog steeds geen uitsluitsel. Je zou verwachten dat het ministerie van vrom (zoals het samengeraapte departement was genoemd dat in 1982 de fakkel overnam van 'Vomil'), nu het zo nadrukkelijk ook de bescherming van de natuur onder zijn hoede had genomen, ook het begrip natuur nauwkeurig zou definiëren. Maar zover is het nooit gekomen. Het departement formuleert beleid voor het opknappen van mens-milieu en voor het verbeteren van natuur-milieu maar zou niet precies kunnen zeggen wat natuur is en onderneemt daartoe ook geen pogingen.

Allicht niet. Tot diep in Duitsland heeft men daar zware academische debatten aan gewijd, en het heeft niets opgeleverd. Er bestaan geen objectieve criteria die aangeven waar het heen moet met de natuur. Ecosystemen zijn van nature voortdurend in transitie. En de betekenis die aan 'natuur' wordt gehecht wisselt van mens tot mens, van plaats tot plaats en van jaar tot jaar. De hete, stadse liefde voor de woeste, ongerepte natuur, de unspoiled nature, die in de Romantiek ontstond, heeft de boeren op het platteland op veel plaatsen in Nederland, en verderop in Europa, nog steeds niet bereikt. Sterker nog, dat men in de stad inmiddels weer andere waarden in de natuur heeft ontdekt, woestenatuur als probaat middel om de biodiversiteit te vergroten, is daar nog niet eens bekendgemaakt.

Niemand weet wat natuur is en wat er de waarde van is. Maar dat hoeft een verstandig beleid niet in de weg te staan. Het is een misverstand dat problemen alleen kunnen worden opgelost nadat ze tot op het bot zijn gedefinieerd. Vaak voel je immers met je klompen aan wat goed is en wat niet. Maar in het milieubeleid zou een nadere begripsbepaling toch geen overbodige luxe zijn. Als er een beleid moet worden gevoerd tegen verdroging, versnippering en vermesting, thema's die vooral de landbouwgronden raken, dan zou je zeggen: de landbouw geldt ook als natuurgebied. Maar dan is de Haarlemmer- meer het ook. Dan is daar geen dubbel doel te dienen.

Door ook maatregelen ter bescherming van de natuur in het nationale milieubeleid op te nemen, is dat niet langer volgens objectieve criteria te beoordelen. Dat is misschien wel de crux van wat er in 1989 gebeurde: de vermenging van volksgezondheid en natuurbelang. Volksgezondheidsbeleid is eenvoudig en eenduidig te toetsen, daarin is wereldwijd een enorme expertise opgebouwd. Hooguit kan er discussie zijn over de snelheid waarmee maatregelen moeten worden doorgevoerd. Maar waaraan toetst men in hemelsnaam het effect van maatregelen tegen verzuring, vermesting, verdroging en versnippering? Aan historische gegevens?

In 1989 presenteerde vrom gemengd milieubeleid waarvan het succes of falen nooit helder zou zijn vast te stellen. Dat werd er niet beter op toen minister Alders, die de voorstellen van Nijpels tot in het absurde detailleerde, ook risicobeleid onder milieubeleid schoof. Niet langer zou zijn ministerie zich uitsluitend bezighouden met concrete problemen, met aantoonbare aantasting van natuur en gezondheid, voortaan zou het ook waken over de kans dat er problemen ontstonden. De kans dat er een raffinaderij ontplofte of een vliegtuig neerstortte. Of dat er bij het boren naar gas in de Waddenzee iets fout ging. Is het al geen sinecure uit te rekenen hoe groot die risico's zijn, het is een bovenmenselijke taak om aan te geven welk risico acceptabel is. Het ministerie deinsde er niet voor terug.

Risicobeleid is nodig en nuttig, en het staat vast dat het met de beste bedoelingen werd opgezet. Ook toen vrom een publiekscampagne tegen de gevaren van zure regen begon die wetenschappelijk gezien kant nog wal raakte, gebeurde dit met de beste bedoelingen - daar mogen we niet aan twijfelen. De Amerikanen zouden pas jaren later durven te kiezen voor de 'scare them to death' benadering, vrom joeg de Nederlandse burger al in 1985 de stuipen op het lijf. Niet alleen de bossen zouden ten onder gaan, lieten huiveringwekkende affiches weten, zelfs de hele St. Jan in Den Bosch kon als sneeuw voor de zon verdwijnen. (Hier en daar moet iemand verrast hebben vastgesteld dat het ministerie nu kennelijk ook al objecten van cultuur-historische betekenis onder zijn hoede nam.)

Maar nu de voorspelde dramatische effecten van zure regen zijn uitgebleven ook zonder dat de zuurtegraad van het hemelwater sterk is verminderd, heeft zich een zekere argwaan van de burger meester gemaakt. De door de Rome-club aangekondigde ellende van overbevolking is er ook niet gekomen, zonder dat er van overheidswege ook maar iets aan geboortebeperking of bevolkingspolitiek is gedaan. Wat hem vooral is bijgebleven van de afgelopen inspanningen van zijn overheid is dat rare rommeltje aan door elkaar lopend beleid en de onvoorstelbare detaillering daarin. En die reeks aan kleine machinaties die kleine misstappen en inconsequenties aan het oog moeten ontrekken. En ten slotte de vreemde ontdekking dat hij geregeld voor zijn eigen bestwil bij de neus moet worden genomen.

Is het milieubeleid een succes geworden? Is 'het milieu' er sterk op vooruit gegaan? Het rijksinstituut dat het moet bijhouden is op hoofdpunten niet ontevreden. Maar het valt onder de directe verantwoordelijkheid van het ministerie dat het beoordelen moet. Pijnlijke ontwikkelingen worden er maar zelden in ronde bewoordingen naar buiten gebracht. Het beste wat je ervan zeggen kunt is dat de volksgezondheid steeds minder van het milieu te lijden heeft. De bedreiging van de gezondheid komt tegenwoordig vooral van het binnenmilieu, als het overaanbod van drank en voedsel daar ook onder valt.

Het milieu, het leefmilieu, heeft de volksgezondheid gered. Maar wat is er van de natuur geworden? Vanuit de trein krijgt het landschap een steed grimmiger aanzien. Bedrijfsterreinen, sportvelden en recreatieparken strekken zich uit tot aan de horizon. Eeuwenoud landschap, met een verkaveling die soms teruggaat tot in de Middel- eeuwen, wordt met de grond gelijk gemaakt. Overwerkte archeologen proberen haastig nog wat te inventariseren voordat dat voorgoed is uitgesloten. Dàt is hier in Nederland de pijnlijkste consequentie van een ongebreidelde bevolkingsgroei die niet in het rapport van Rome was voorzien.

De ontredderde burger ziet het landschap van zijn jeugd voorgoed van de aardkorst geveegd. En met schrik realiseert hij zich dat landschappelijke waarden helemaal nooit in het milieubeleid zijn opgenomen. Ze vallen onder de goede zorgen van het landbouwministerie dat door zijn aard heel eigen ideeën heeft over landschap en natuur. Probeert het milieuministerie met zijn papieren aandacht voor 'versnippering' bewust of onbewust nog iets te redden van het landschap dat door Potter, Ruysdael, Hondecoeter en al die andere schilders als 'de natuur' werd beschouwd, voor het landbouwministerie heeft het allang afgedaan. We kunnen de boeren hier niet als Ot en Sien laten werken. Woeste natuur creëer je maar achter de doorgestoken duinen en in de waardeloze uiterwaarden van de Waal.

Natuur is voor dat ministerie: het gebied waar de boer niet komt. Waar hij wel komt mag hij ontwateren, asfalteren, verlichten, bemesten en bebouwen. Zoveel als nodig is voor een moderne bedrijfsvoering. En het pijnlijke is dat het ministerie onontkoombaar gelijk heeft.

Het oude landschap had zijn waarde zolang het nog op ouderwetse wijze werd beheerd. Vandaag is het reddeloos verloren.

Wij worden getroffen door een ramp die in het 'wereldmodel' besloten lag, maar die de Club van Rome niet heeft zien aankomen. M

Karel Knip is redacteur van NRC Handelsblad.

Louis Visser (Art Connection) is freelance illustrator.

[streamers]

In de jaren zestig had zich een onafzienbare serie industriële schandalen voorgedaan.

Het 'wereldmodel' dat de Club van Rome gebruikte, ontroert door zijn simpele opzet.

De economie kon groeien en toch nam de milieuschade af.

De hele St. Jan in Den Bosch zou als sneeuw voor de zon verdwijnen.