De gevolgen

Na de korte verhalen over Rotterdam, de stad van haar jeugd, haalt Tonny van der Horst herinneringen op aan Amsterdam, waar zij in 1938 met haar man, de dichter Victor van Vriesland, ging wonen. Vandaag de laatste aflevering.

Welbeschouwd hebben Vic en ik in Bergen, de oorlog in aanmerking genomen, nog een vrij goede tijd gehad. 's Morgens stapte de dichter Adriaan Roland Holst in de achtertuin van zijn fiets, met zijn onafscheidelijke wandelstok over het stuur, en betrad de keuken, waar koffie werd gedronken, en 's avonds kwamen er altijd wel een paar dorpsgenoten met een fles drank langs.

De levensmiddelen werden schaarser, maar dankzij hulpvaardige winkeliers slaagde ik erin nog iedere dag een eenvoudig maal op tafel te zetten. Soms liep ik dwars door de duinen langs het verlaten huis van Herman Gorter (in de zogenaamde Verbrande Pan) naar het strand, waar niemand was te zien. Het bewonderenswaardige voorbeeld van Roland Holst volgend, die zich zowel 's zomers als 's winters ongekleed de zee in placht te begeven, zwom ik naakt de branding tegemoet en liet mij door de golven omarmen, wat voor mij als stadsmens een ongekende sensatie was. Ik heb het echter nooit meer gedaan nadat ik een keer, met natte haren en een opgerolde badhanddoek onder mijn arm langs dezelfde weg terugkerend, de Duitse soldaat gewaar was geworden die mij midden op een smal pad tussen twee duinhellingen met zijn geslacht duidelijk zichtbaar uit zijn uniform stond op te wachten. Met stramme benen en een slap gevoel in mijn nek bleef ik strak voor me uit kijken en liep ik instinctief, zonder mijn pas te versnellen, langs hem heen. Als vanzelf sloeg ik de richting van het fietspad in, waar geen levende ziel was te bekennen. Er gebeurde niets, en gezien Vics kwetsbare positie heb ik mijn confrontatie met de vijand voor hem verzwegen.

Plotseling werd bekendgemaakt dat joden voortaan verplicht waren als herkenningsteken een gele ster met het woord `jood' te dragen. Ik raadde het Vic af, maar daar er met de zwaarste straffen werd gedreigd bij het negeren van de verordening, haalde ik bij het raadhuis in de Kerkstraat het stervormige katoenen vodje ter grootte van een kindervuist en naaide het met onhandige steken op Vics jas. Deze heeft hij trouwens maar één keer gedragen, nadat de keurige wildvreemde oude heer die wij in het dorp tegenkwamen zijn hoed voor hem had afgenomen. Sindsdien heeft Vic zich niet meer in het dorp vertoond en zich beperkt tot zijn dagelijkse wandeling van vijftig rondjes om het huis, waarbij hij enige malen zijn horloge raadpleegde om te zien of hij zijn half uur lichaamsbeweging had gehad.

Toen de kuststrook voor joden verboden werd, gingen we terug naar Amsterdam, waar we terechtkwamen op een etage aan de Postjeskade. Er was een erker die uitzag over een verkaveld stuk land op het westen, met oude kassen en onthutsend mooie zonsondergangen. We woonden er maar kort, want op een morgen werden we in alle vroegte opgebeld en zei een onbekende stem – we hebben nooit geweten wie het was – dat we onmiddellijk moesten vertrekken. Tien minuten later liepen we met onze vluchtkoffertjes over een uitgestorven Overtoom naar het huis van onze vriendin Jeanne van Schaik-Willing en haar man aan de Leidsekade, bij wie we één nacht overbleven. De daaropvolgende dag dook Vic onder en moest ik iets overwinnen om laat in de middag het een en ander in ons huis op te halen. Ik vond er een keukenvloer vol glassplinters van de verandadeur, en in de kamer een tafel met sigarettenpeuken en lege flessen. Van de buren, die ik opbelde, hoorde ik dat de Grüne Polizei zich 's ochtends via hun veranda toegang tot onze woning had verschaft en pas 's avonds was verdwenen. Toen ik de hoorn op het toestel legde, was de etage vervuld van onheil en propte ik met bevende handen wat kleren en schoenen in een koffer.

Voor ik vertrok, keek ik in de erker of er buiten iets verdachts was te bespeuren, maar ik zag alleen de zon, die in rode en gouden strepen boven de kassen onderging.

De reeks artikelen `Vroeger in Amsterdam' zal te zijner tijd in boekvorm verschijnen bij uitgeverij Atlas.