Aanval Irak 1

In NRC Handelsblad van 27 januari betoogt Thomas Lippman dat olie geen rol speelt bij de Amerikaanse afweging om Irak aan te vallen. Zijn argumenten zijn zwak, om niet te zeggen onnozel.

Lippman zegt dat de VS, om aan olie te komen, helemaal geen zorgen hoeven te hebben, zelfs niet als er een VS-vijandig regime in Saoedi-Arabië zou komen.

Olie is immers inwisselbaar op de markt en daardoor vrij verkrijgbaar.

Echter, het veiligstellen van een ongestoorde oliestroom richting VS staat nog steeds centraal in de doelstellingen van de VS. Om die reden zijn ze militair sterk aanwezig in het Golfgebied, en zeker niet om het woestijnzand dat daar te vinden is.

Als het dan om de olie ging, betoogt Lippman, hadden de VS toch allang de economische sancties tegen Irak kunnen laten opheffen en zo de oliestroom doen toenemen? Het gaat echter niet alleen om de olie sec, maar om de ruil van industriële goederen voor olie.

Toen de sjah nog de dienst uitmaakte in Iran, leverden de VS de totale bewapening voor dat land. Dat versterkte de Amerikaanse oorlogsindustrie en daarmee haar macht in de wereld.

Toen de sjah verdreven werd en Khomeini zich vijandig opstelde jegens de VS trachtte dat land een wereldwijd embargo in te stellen tegen Iran. Dat is echter niet gelukt. En wat zien we? Rusland levert wapens en kerncentrales voor olie. Japan en China worden afnemers van olie uit Iran en leveren in ruil daarvoor producten.

De VS zijn er in Iran niet in geslaagd de lucratieve handel terug te winnen. En ze ervaren Iran daardoor nog steeds als een dreiging. Een economische dreiging dus!

Het is duidelijk dat oliebelangen ruimer gezien moeten worden. Nu al praat men op het Witte Huis over de manier waarop Irak de kosten van deze oorlog en de erop volgende bezetting en wederopbouw aan de VS zal vergoeden. Met olie dus.

Het hele VN-circus heeft de schijn van een spel dat gespeeld moet worden om een aanval op Irak acceptabel te maken voor de wereldgemeenschap.

    • Philippe Boucher Midlaren