Watersnoodramp

Volstrekt ten onrechte duiken dezer dagen berichten op in de kranten dat er in het parlement nooit is gesproken over de schuldvraag inzake de watersnoodramp, ook in het artikel `Ramp zonder schuld' van Arjen Fortuin (Boeken, 24.01.03). Het tegendeel is het geval. De toenmalige minister van Verkeer en Waterstaat, J. Algera (ARP), werd de discussie erover na verloop van tijd zelfs zó zat, dat hij begon te spreken over `de legende van de schuld'.

Weliswaar vond men het in de Tweede Kamer in de eerste weken na de ramp eigenlijk ongepast om het erover te hebben – `in het licht van het ontzettende natuurgebeuren' – maar dat neemt niet weg dat de schuldvraag toch werd gesteld, en dat telkens opnieuw, gedurende het gehele jaar 1953. Bij alle debatten die betrekking hadden op de afwikkeling van de ramp: debatten over noodmaatregelen, over het ophogen van de begroting, over schadevergoedingen aan particulieren en over het begin van het Deltaplan. De oppositiepartijen CPN en KNP (een kleine katholieke partij) begonnen dan steeds opnieuw over de noodzaak van een grondig onderzoek naar de ramp. De oorzaken ervan moesten worden opgespoord, verantwoordelijkheden moesten worden vastgelegd en lessen voor de toekomst moesten worden geleerd. De regeringspartijen (PvdA, KVP, ARP en CHU) hadden niet zo veel zin in telkens weer die discussie, maar zagen zich door de oppositie gedwongen toch steeds opnieuw hun mening te formuleren. Oppositiepartij VVD, niet van zins de regering hard aan te vallen, trachtte de angel uit de debatten te halen door de begrippen schuld en verantwoordelijkheid uit elkaar te trekken. De overheid droeg wel verantwoordelijkheid voor het gebeurde maar geen schuld. En wat die verantwoordelijkheid betrof: dat was ook niet meer dan een gedeelde verantwoordelijkheid, de rijksoverheid deelde die met de provinciale overheid, de waterschappen, de waterstaatkundig ingenieurs en óók met het parlement. Minister Algera onderschreef deze visie.

Hoewel het idee van een onderzoekscommissie wel is besproken in de ministerraad, eind december 1953, is er uiteindelijk nooit een onderzoek gekomen naar de oorzaken van de ramp. Dat het kabinet-Drees in 1953 niet tot een onderzoek besloot, is overigens vooral opmerkelijk daar bij de stormvloedramp die Nederland in januari 1916 trof, wél van regeringswege tot een onderzoek werd besloten.

Maar het feit dat er geen onderzoek is ingesteld en dat de schuldvraag slechts halfhartig is beantwoord (met het concept van de gedeelde verantwoordelijkheid) neemt niet weg dat de kwestie van de schuldvraag dus wel degelijk in het parlement aan de orde is gesteld. Trouwens, precies op het moment dat de Tweede Kamer het dossier sloot, in december 1953, begon de Eerste Kamer zich te roeren. De woordvoerder van de VVD stelde onomwonden vast dat de Nederlandse regering `zeer bepaald te kort geschoten' was in haar beleid met betrekking tot de dreiging van de Noordzee. Maar het kabinet had geen zin in weer die discussie en reageerde nogal geprikkeld. Afijn, ook ditmaal kwam er geen onderzoek uit voort waarna, in februari 1954, het parlementaire debat over de schuldvraag definitief kon worden gesloten. Het had precies een jaar geduurd.

    • Carla van Baalen