Waar blijven de barbaren?

Tientallen regels loze praat zonder beeldspraak of stilistische finesses, kon K.P. Kavafis schrijven, maar toch ontstaat steeds weer een roerend beeld in de definitieve uitgave van zijn verzamelde gedichten. Zijn afzijdigheid was lovenswaardig, maar zijn beste gedichten schreef hij als hij toch enig sentiment toonde.

Er wordt vaak op afgegeven, maar het heeft toch ook wel wat: de loze taal van de politiek. Ambtenarenspraak, het bestuurdersjargon, de ontwijkzinnen van de geachte afgevaardigden in de adviesraden en de commissies: er kan een grote rust uitgaan van eindeloos geleuter. In poëzie kom je het niet tegen, per definitie, maar ik sloeg de nieuwe uitgave van de gedichten van K.P. Kavafis open en las, op een willekeurige pagina: `Er is niet de minste twijfel dat de zaken/ niet naar wens verlopen'. Alsof we rechtstreeks verbonden waren met de raadszaal. `En hoewel we moeizaam vooruitgaan/ is misschien, naar veler mening, de tijd gekomen/ om er een Politieke Hervormer bij te halen.' Lange, breedsprakige, rijmloze zinnen, zo te zien uitgesproken door de een of andere fractievoorzitter of lijsttrekker, met alle mitsen en maren vandien. Wie er aan het woord is, is niet duidelijk, maar we weten wel dat we ons, getuige de titel, in een grote Griekse kolonie bevinden, in het jaar 200 voor Christus, en dat de zaken in de kolonie niet goed gaan. De spreker weet ook dat er bezwaren kleven aan het inroepen van zo'n Politieke Hervormer: `Maar het bezwaar en de moeilijkheid/ is dat die Hervormers/ een hele toestand maken van/ elke zaak.' Mooi gesproken, met dat lekker vage `een hele toestand' en dat nog wel `van elke zaak'. En hij voegt er, tussen haakjes, nog eens volkomen overbodig aan toe: `(Het zou een geluk zijn wanneer/ ze nooit nodig waren.)' Dan gaat de spreker maar eens in op het grote gevaar van zulke kopstukken: ze gaan zich overal mee bemoeien, allerlei vragen stellen, allerlei eisen formuleren en ze gaan proberen allerlei zogenaamd overbodige zaken af te schaffen `die echter moeilijk af te schaffen zijn'. Ik zou nog wel veel meer uit zijn toespraak willen citeren. Het staat er allemaal, in lange prozaïsche zinnen, alsof we de notulen van een politiek debat lezen.

Langzaam begint het gedicht onder onze ogen te veranderen: van een serieus te nemen verslag betreffende zekere mogelijk te nemen beleidsmaatregelen in een kolonie met problemen, naar een schrijnend portret van de bange bestuurders van een bange gemeenschap, die wel aanvoelen dat het Romeinse Rijk binnenkort de zaak zal overnemen, maar die daarvoor toch maar liever de ogen nog even willen sluiten. Van een rede met een stevig politiek standpunt in het begin, verloopt het gedicht al snel tot een angstige en kortzichtige toespraak. Moet de dichter, K.P. Kavafis, daarvoor geprezen worden? Zo ja, dan toch vooral om zijn afzijdigheid. Het is is mooi om te zien hoe de sprekers zichzelf hier met hun eigen woorden de das omdoen. Het is ironisch, en bijna hilarisch, maar tegelijk zal iedereen ook mededogen voelen. De sfeer die hier getekend wordt, is van alle tijden en omstandigheden: de sfeer van angstige verliezers. Van medewerkers in een verliesgevend bedrijf, in gespannen afwachting van de consultants die streng zullen snoeien. De sfeer van monkelende achterblijvers die wel weten dat ze de sprong naar de nieuwe tijd niet meer kunnen maken. Hier spreken ge-desillusioneerden.

Hoe langer het gedicht en hoe langer de regels (36 in totaal), hoe duidelijker hun wanhoop en kortzichtigheid door de regels heen breekt. En wat dan als de hervormers straks vertrokken zijn? Dan `moeten wij maar zien wat er overblijft'. En daarom pleit de spreker er aan het eind warempel voor om alles maar bij het oude te laten, want `haastige spoed is zelden goed', waar of niet, en `voortijdige maatregelen veroorzaken berouw, en zo is het maar net. En dan mag er hier in de kolonie wel het een en ander mis zijn soms, `maar bestaat er iets menselijks zonder gebreken?' En zo, met deze mooie opstapeling van dooddoeners en clichés eindigt de toespraak, en het gedicht. Het speelt zich af in 200 voor Christus, ergens in een Griekse kolonie aan de Middellandse Zee en het werd geschreven in 1928 in de Griekse gemeenschap in Alexandrië, maar het zou zich ook vandaag, en bijna overal, precies zo hebben kunnen afspelen.

Intussen is het als gedicht een hoogst wonderlijk geval. Geen dichter te bekennen. Naam en functie van de spreker niet bekend. Loze praat, tientallen regels lang. Geen beeldspraak, geen stilistische finesse. Maar toch roept het, met zijn vreemde mengeling van afstandelijkheid en inleving, ironie en mededogen, een treffend en roerend beeld op. Het is dezelfde toon die te vinden is in `In afwachting van de barbaren', een veel bekender gedicht van Kafavis. Het geeft de dialoog tussen twee inwoners van eenzelfde soort kolonie of stad, maar nu Romeins, ook in de oudheid. De een ziet vandaag van alles gebeuren: drukte op de markt, geen senatoren in de senaat, de keizer op zijn troon bij de poort, consuls en praetoren bont uitgedost. Steeds vraagt hij wat er aan de hand is en steeds krijgt hij van de ander als antwoord dat het gebeurt `omdat de barbaren vandaag zullen komen'. De inwoners zouden bevreesd moeten zijn voor de komst van het ruwe barbarenvolk, maar de sfeer is eerder feestelijk: een stad in blijde en nerveuze afwachting van iets nieuws.

Al vragend en antwoordend wordt de spanning in het gedicht (ook 36 regels in totaal) opgevoerd, en daarom is ook bij ons, toekijkende lezers, de teleurstelling groot als aan het eind blijkt dat het feest niet doorgaat. Er zijn net enkele mensen uit de grensstreek binnengekomen en die hebben verteld `dat er geen barbaren meer zijn'. Verslagen druipt men af. De straten lopen snel leeg. Iedereen zoekt in gedachten verzonken zijn huis dan maar weer op. Het is aan de ene kant allemaal wel voorstelbaar, en herkenbaar ook: de teleurstelling om een niet ingeloste verwachting. Tegelijk is het ook een hoogst humoristisch tafereel, op het absurdistische af: een bevolking die helemaal onthand is, nu de vijand niet komt – en ook in de nabije toekomst helaas niet meer te verwachten is. Het is al bijna een Monty Python-sketch.

Tegelijk voelt iedere lezer aan dat hiermee toch ook een hogere waarheid of een dieper inzicht in de menselijke geest is meegedeeld, hoe irrationeel die dan misschien ook in elkaar mag steken. `Wat moet er nu van ons worden, zonder barbaren./ Die mensen waren ten minste een oplossing', zo luidt het hulpeloze slot. Menno ter Braak en S. Vestdijk waren in de jaren dertig, met de dreiging van Hitler-barbaren, erg onder de indruk van het gedicht. In september 1948 schijnt het in het omsingelde Berlijn een sensatie te hebben veroorzaakt. Toch kan er even goed ook een rechtvaardiging voor een oorlog in gevonden worden: soms is de spanning zo hoog opgelopen, of het verlangen naar een oplossing zo groot, dat het uitblijven ervan blijkbaar leidt tot nieuwe radeloosheid. `In afwachting van de barbaren' zou je ook een verhandeling kunnen noemen over het nut en de noodzaak van een vijand.

Voor zulke omkeringen, en de waarheid ervan, heeft Kavafis altijd een goed oog gehad. Zij is ook aanwezig in een ander beroemd gedicht van zijn hand, `Ithaka', toevallig ook weer 36 regels lang. Daarin stelt hij zich, in een denkbeeldig gesprek met Odysseus, afkomstig van het eiland Ithaka, op het verrassende standpunt dat de reiziger niet snel thuis moet willen zijn. `Als je de tocht aanvaardt naar Ithaka,/ wens dat de weg dan lang mag zijn,/ vol wederwaardigheden, vol belevenissen.' Het gaat, zou je kunnen zeggen, niet om het doel, maar om de reis. Het is de kunst om onderweg zoveel mogelijk te zien en op te steken, in zoveel mogelijk steden en havens. Daar ligt de rijkdom, niet in de vorm van een kant en klare beloning aan het eind van de reis. `Overhaast de reis in geen geval./ 't Is beter dat die vele jaren duurt en/ je pas als oude man bij het eiland afmeert,/ rijk door wat je onderweg verwierf.' Daarbij hoort dan ook, en in zekere zin logisch uit het voorafgaande voortvloeiend, de mooie dichterlijke omkering dat de schenker van deze rijkdom niet de reis is, of de zee, de wind, of de zeilen, maar juist Ithaka. `Ithaka schonk je de mooie reis./ Bestond het niet, dan was je nooit vertrokken./ Maar méér heeft het je niet te bieden.'

Het is niet moeilijk om in Ithaka een symbool voor de oude dag, het einde van het leven, of de dood zelf af te lezen. En het ligt wel voor de hand dat dit gedicht voor veel mensen een voorbeeld van levenskunst en de formulering van een levensmotto is geworden. Er schuilt veel troost in deze voorstelling van zaken, en desgewenst zelfs een regelrechte zingeving. Wat heeft de dood voor nut? De dood schenkt je de mooie reis door het leven, zou je met een variant op Kavafis kunnen zeggen. Bestond de dood niet, dan was je ook nooit vertrokken. Méér heeft de dood niet te bieden. `Ithaka' heeft zijn weg inmiddels dan ook gevonden naar de rouwadvertenties, vooral die voor omgekomen zeezeilers.

Het ongebruikelijke standpunt, de afwijkende blik, de keuze voor het omkeringsperspectief: dat hoort bij een echte dichter en het kenmerkt misschien ook wel de grote geest, maar het heeft ook iets onpersoonlijks. Wat is de waarde van de omkering, als de omkering ook weer omgekeerd kan worden? Neem het gedicht `De stad'. Daarin wil iemand zijn leven veranderen, naar een andere zee, een ander land vertrekken en naar een stad `beter dan deze'. Maar hij krijgt van de dichter te horen dat hij dat wel kan vergeten. De stad waarin hij opgroeide zal hij overal met zich meedragen. `Altijd wacht deze stad je; geen schip is er, geen reis,/ geen enkele weg voor jou naar elders, hoop dat niet.' Het is de fatalistische tegenhanger van het zoveel monterder `Ithaka'.

Het valt niet goed te zeggen in welk van beide gedichten de dichter (verknocht aan zijn stad Alexandrië, maar in zijn geest een echte Ithakaganger) het meest namens zichzelf sprak – als hij dat al deed. Was Kavafis iemand met een groot psychologisch inzicht? Je zou het op grond van al het voorgaande heel goed kunnen denken. Uit veel van zijn gedichten spreekt een helder inzicht in drijfveren en beweegredenen, verborgen gevoelens en onuitgesproken vrezen. Er lijkt ook zoiets als een eigen Kavafistoon te zijn, een persoonlijke stem: wijs, relativerend, met gevoel voor humor en ironie, de zaken van een afstand bekijkend, en met mededogen. Een humanist, thuis in allerlei tijden? Of is hij toch eerder een koele modernist, een intellectueel met brede belangstelling, een denker die er plezier in heeft per gedicht een ander standpunt in te nemen, en die dus streeft naar een zekere onpersoonlijke, autonome poëzie? Ook daar valt wel wat voor te zeggen – en in ieder geval ook dat Kavafis zich zelf wel eens in zulke bewoordingen heeft uitgelaten.

Er zit zeker iets wegcijferends in zijn poëzie – alsof hier een dichter zichzelf uit zijn eigen werk heeft willen wegschrijven, en daarbij al doende trouwens ook maar meteen het hele medium poëzie heeft meegenomen. Het blijft bizar, en bijzonder, dat iemand aan het begin van de twintigste eeuw verzen schrijft zonder enige dichterlijke opsmuk, met prozazinnen, op een rustige praattooon, als ging het om essays, of vergadernotulen, minstens zo bijzonder als de vele wilde modernistische experimenten die later elders zouden volgen. Bizar is ook dat Kavafis pas na zijn veertigste de gedichten ging schrijven waar hij zelf ook tevreden over was. En dat hij zijn werk alleen aan enkele vertrouwelingen liet lezen. En dat er tijdens zijn leven geen bundel van hem is verschenen. Onbekend, levend en werkend in de betrekkelijke uithoek Alexandrië, dichtend in een weinig gelezen taal – het Grieks – en pas na zijn dood ontdekt, en al snel in brede kring onthaald en overal vertaald en alsnog een grote naam geworden.

Het is vermoedelijk nooit echt zo bedoeld geweest, maar het past allemaal wel bij een wezenstrek van Kavafis' poëzie: een verlangen naar anonimiteit, naar verbergen en wegcijferen en niet opvallen. Deze regels worden vaak geciteerd: `Tracht ze te bewaren, dichter,/ hoe weinige zich ook grijpen laten./ De droombeelden van je liefde./ Breng ze, halfverborgen, in je regels.' Hier wordt de poëzie eerst weinig verrassend voorgesteld als een bewaarplaats, maar even later ook, tussen neus en lippen door, als een verstopplaats. Het allerintiemste, de droombeelden van de liefde, moeten `halfverborgen' in de regels ondergebracht worden, alleen voor de gespitste lezer zichtbaar. Nog duidelijker is Kavafis in `Bestemd voor de winkel', waarin hij de dichter voorstelt als een sieradenmaker die zijn klanten langs armbanden, kettingen, halssnoeren en ringen leidt, maar intussen zijn allermooiste sieraden in de kluis bewaart en daar laat liggen, ongezien.

De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat zijn eigen dichterswinkel ook wel eens die indruk maakt. In deze verzamelbundel hebben Hans Warren en Mario Molegraaf hun gezamenlijke Kavafis-vertalingen (waarvan de eerste uitgave in 1984 verscheen) voor de derde keer tegen het licht gehouden en waar nodig herzien, waardoor hun toch al soepele en levendige vertaling her en der nog soepeler en levendiger is geworden. Ook de zestig pagina's aantekeningen en literatuuropgaven werden herzien, geactualiseerd en uitgebreid. Hans Warren, overleden eind 2001, krijgt hier tussen nawoord en noten een kort in memoriam van zijn vriend Molegraaf. Tussen de canon van 154 gedichten, 4 verworpen gedichten, 27 onuitgegeven gedichten en 29 gedichten in bewerking staan de nodige gedichten waarin eerlijk gezegd niet veel bijzonders gebeurt. Vooral in het genre van het historische portret wordt nogal eens saai en braaf een omstandigheid getekend, op volstrekt neutrale praattoon met een wijze, stoïcijnse inslag – alsof de dichter zichzelf erin heeft willen oplossen. Ze roepen het vermoeden op dat er elders in de winkel, of in de kluis, nog wel betere, levendiger, of opwindender gedichten te vinden moeten zijn.

Die zijn er dan ook, in het genre waar Kavafis veel van zijn bekendheid aan te danken heeft: het homo-erotische gedicht. Daarin moest opnieuw veel verborgen worden, want op de liefde tussen twee mannen rustte ook in het Alexandrië van rond 1900 een groot taboe. Dat zal er de oorzaak van zijn dat er ook in deze verzen vaak niet eens zo veel te beleven valt. Vermoedelijk moest ieder particulier detail of iedere persoonlijke opwinding vermeden worden. Er trekt een hele stoet voorbij van jongens die steevast tussen de twintig en dertig jaar oud zijn, beschikken over `een mooi lichaam' en `sierlijke leden' en `zinnelijke lippen' en `mooie ogen', dus stuk voor stuk vertegenwoordigers van `schoonheid', en vaak ook `verlangend naar genot' – maar tot meer dan dit soort obligate typeringen laat Kavafis zich in zijn erotisch bedoelde verzen niet verleiden. Er komt geen schouder, sleutelbeen, kaak of gebit in voor, laat staan een buik, een bil of een mandeel. Uit angst voor ontdekking? Omdat zijn belangstelling inderdaad nogal buitenkantig en onpersoonlijk was, dus vooral gericht op snelle seks en niet op liefde of gevoelens? Of omdat er onder al deze anonieme avonturen een groot, verder niet goed te benoemen gevoel van leegte en eenzaamheid schuilging?

Die indruk wekt zijn werk soms: dat het cirkelde rond een lege kern. Uitvluchten in het momentane genot van een liefdesuur met een jongen ergens in een huis met `geheime kamers'. Uitvluchten in de stoïcijnse, bovenpersoonlijke wijsheden, ontleend aan allerlei historische taferelen. Maar daartussen bevinden zich enkele verzen waarin zonder uitvluchten een gevoel van beklemming en isolement wordt uitgesproken. `Zonder omzichtigheid, zonder medelijden, zonder schaamte/ bouwden ze dikke en hoge muren om mij heen./ Nu zit ik hier en ben wanhopig', schrijft hij in `Muren'. In `De ramen' wordt in donkere kamers gezocht naar een venster dat uitzicht zou kunnen bieden – vergeefs. In `Kaarsen' ziet hij huiverend onder ogen hoe snel de dagen voorbijgaan, en hoe weinig dagen hem nog resten. En dit is het illusieloze beeld van het leven van alledag, onder de heldere titel `Eentonigheid': `Op de eentonige dag volgt een andere/ eentonige, niet te onderscheiden. Er zullen/ dezelfde dingen gebeuren, weer opnieuw gebeuren –/ dezelfde momenten bereiken ons, verlaten ons.// Een maand verstrijkt en brengt een andere maand./ Wat gaat komen kan men licht vermoeden:/ die vervelende gebeurtenissen van gisteren./ En uiteindelijk zal morgen niet meer morgen lijken.' Hier wordt de verveling zo droog beschreven dat het bijna droogkomisch wordt. Langzaam hardop voorlezen, dan gaat de treurigheid al haast vanzelf over in een vorm van hoge wijsheid, lome onthechting, slome humor – op de wijze waarop Kafka, of de Prediker, of een lege dichter als Faverey humoristisch kunnen zijn.

Zijn beste gedichten schreef Kavafis als hij toch enig sentiment durfde te laten zien. Zoals in `Op de treden', waar de dichter bij het verlaten van een bordeel één onderdeel van een seconde oog in oog staat met een onbekende jongen die daar juist naar binnen snelt. Pikante situatie, spannend moment: wordt dit een toevallige ontmoeting of juist niet? De dichter verbergt zich snel, ook al weet hij wel dat de ander daarbinnen, in `het schandelijke huis', evenmin als hij zelf het genot zal vinden waar hij werkelijk op uit is. En ook al weet hij, peinzend op de trap, dat hij de ander nu juist de liefde had kunnen geven die hij binnen zocht – en omgekeerd. Romantisch gegeven, met melodramatisch accent: twee mogelijke gelieven lopen elkaar net mis, twee eenzaamheden raken elkaar net niet aan. `Maar we verborgen ons allebei, in verwarring.' Vergeefsheid, tekort, smartlap – maar op zulke momenten mooi in toom gehouden door het nuchtere proza van de dichter.

K.P. Kavafis: Gedichten. Vierde herziene en uitgebreide editie. Vertaling Hans Warren en Mario Molegraaf. Bert Bakker. 588 blz. €36,95

    • Guus Middag