Voor jou dood ik je vader

In 1984 publiceerde Noorse schrijver Lars Saabye Christensen (1953) zijn opmerkelijke boek Beatles. Vier jongens uit Oslo dromen ervan het leven en de muziek van hun helden in de straten en muziekkelders van de Noorse hoofdstad te imiteren. De titel van elk van de hoofdstukken is een song, zoals Love me do of She's Leaving Home. Dit koesteren van grootse idealen is iets wat we vaker tegenkomen in de Scandinavische literatuur, zoals recentelijk in de Zweedse roman Popmuziek uit Vittula door Mikael Niemi. Ook hierin draait het om muzikaal aangelegde jongens, die hun idealen niet in overeenstemming kunnen brengen met de eisen van de alledaagse werkelijkheid.

Christensen verraste in 2001 zowel het publiek als de literaire kritiek met de omvangrijke, ambitieuze roman De halfbroer (Halvbroren). Dit werk van meer dan zeshonderd bladzijden dat geschreven lijkt in één krachtdadige stroom van energie behoort tot de bestverkochte boeken van Scandinavië (inmiddels 250.000 exemplaren) en werd bovendien bekroond met enkele prestigueuze prijzen, waaronder de Literatuurprijs van de Noordse Raad. In het dunbevolkte Noorwegen is één gezin op de vier in het bezit van De halfbroer. Zo schreef de toonaangevende cultuurkrant Dagbladet bij monde van de belangrijkste Noorse recensent Oystein Rottem: `Een in alle opzichten fantastische roman, een tour de force, een goddelijke komedie, een duivelse tragedie.' En Dagens Naeringsliv liet weten dat het boek `op elk van zijn 650 bladzijden een intens euforisch lezersgeluk oproept'. Dat laatste is volkomen gerechtvaardigd. Christensens stijl is die van de feestelijke taal, van de flitsende en opwindende associatie.

Het eclatante succes van De halfbroer, waarvan de rechten wereldwijd zijn verkocht, is alleszins begrijpelijk. Christensen, die naar eigen zeggen `al schrijver wilde worden vanaf het eerste moment dat hij een potlood vasthield', is een overrompelend auteur. Tijdens een presentatie die hij afgelopen week hield voor de Noorse ambassade in Den Haag liet hij weten dat hij acht jaar geleden aan dit boek was begonnen, maar dat hij destijds niet de kracht en de moed had dit grootse onderwerp aan te kunnen. Hij moest zich eerst meer bekwamen. Dat is hem nu gelukt. Hoe omvangrijk de roman ook is, het verhaal is betrekkelijk eenvoudig. Hoofdpersoon Barnum, schrijver van filmscripts, verblijft op een festival in Berlijn, drinkend, rokend. Met zijn collega's onderhoudt hij aanstekelijke gesprekken over het schrijven van scripts en vooral hoe het verhevene met het banale te combineren (in het Engels: to meet), zoals porno met literatuur ofwel `Nora meets Deep Throat' en `Miss Daisly meets Dood van een handelsreiziger.' Totdat hij zijn moeder opbelt die hem zegt dat zijn halfbroer Freddie na achttien jaar weer terugkomt naar het familiehuis in Noorwegen. Deze mededeling wakkert op koortsachtige wijze een stroom van herinneringen aan, kriskras door de tijd gaand. Met deze proloog is de toon gezet; haastig, vol associaties, inderdaad, de film van het verleden die aan Barnums geestesoog voorbijtrekt.

Barnum is de verteller. Het eerste hoofdstuk van deel een, De vrouwen, verhaalt het relaas van de conceptie van Freddie, de latere halfbroer. Op dinsdag 8 mei 1945, dag van de Noorse bevrijding, haalt de negentienjarige Vera wasgoed van de lijnen op de droogzolder: `Ze is warm en gedachteloos, ze is slechts vervuld, tot de rand, van een grote en bijzondere blijdschap, die niet te vergelijken is met wat ze ooit eerder heeft gevoeld. Want ze is nieuw nu. Het is vijf jaar oorlog geweest en ze wordt van de zomer twintig en het is nu, op dit moment, dat haar leven begint, als ze eerst dat wasgoed maar van de lijn heeft [...].' Liefhebbers van close-reading, de analytische wijze van lezen die in de jaren zeventig in zwang was, kunnen hun hart ophalen aan dit hoofdstuk waarin op prachtige wijze verschillende motieven worden vervlochten. Door een soldaat die haar van achteren besluipt, wordt Vera aangerand. Hij duwt haar voorover, zijn gezicht heeft de moeder nooit gezien. Het wapperende wasgoed geldt bijna als metafoor voor de woelende scène. De man mist een vinger, dat is het enige dat de vrouw van hem weet. Verscholen tussen de balken van de droogzolder zitten duiven, die het tafereel gadeslaan. Zoals een camera langs beelden glijdt, inzoomt en weer verder pendelt, zo schrijft Christensen. Hij roept beeld na beeld op; de duiven, de man en vrouw, het wasgoed, de feestelijke geluiden van de bevrijdingsdag buiten – en dan de wegrennende voetstappen van de soldaat. Inderdaad, Vera's leven is begonnen maar niet zoals ze verwachtte. Op jonge leeftijd krijgt ze een kind, zonder de daaraan voorafgaande tijd van zinnelijke verliefdheid, verloving, huwelijk.

Later zal ze trouwen met een circusman. Hij wordt de vader van Barnum. Die ongewone naam is ontleend aan een beroemd Amerikaanse circusartiest. De omzwervingen van de familie langs dorpen en tenten herinnert aan La Strada van Fellini. Freddie kan moeilijk leven met het gegeven dat hij het kind is van een aanranding. Hij ontwikkelt haatgevoelens tegen de man, die het eeuwige raadsel in zijn leven zal blijven. Ook jegens Barnum koestert hij ambivalente gevoelens. Barnums harmonieuze verhouding tot zijn wettelijke vader wekt jaloezie. Op een cruciaal moment in het boek fluistert Freddie Barnum dan ook in het oor: `Zal ik je vader voor je vermoorden?' Dat is een meer dan intrigerende zin, er staat niet alleen: `Zal ik je vader vermoorden?' Maar: zal ik je vader `voor jou' vermoorden. Met andere woorden: zal ik doen wat jijzelf vast en zeker ook wilt maar niet durft? Hier is het gepast vertaalster Paula Stevens lof toe te zwaaien. In dit soort details toont zij zich zeer conscientieus en toegewijd. Met de nodige brille maakt zij van het proza van Christensen Nederlands met een oorspronkelijke, authentieke zeggingskracht. De zinnen woeden vaak een halve en soms hele bladzijde voort, met ingewikkelde grammaticale constructies, zonder dat de lezer ook maar een moment hapert.

Christensen werkt met duidelijke contrasten, hij toont zich een pur sang formalist. Zo is Freddie de jongen van de fysieke kracht maar hij mist de taal; Barnum is de woordkunstenaar. De eerste is groot, de tweede zo klein dat hij ternauwernood tot de heupen van vrouwen reikt. Dat is van grote invloed op zijn latere, nogal moeizame liefdesleven en natuurlijk ook op het lage perspectief waarvanuit hij de gebeurtenissen om hem heen gadeslaat.

Barnums werk als scenarist moeten we ook letterlijk nemen. In het laatste deel staat een scenario opgenomen, getiteld Honger. Dat verwijst naar de gelijk- namige roman van Knut Hamsun, die een prominente rol in het boek speelt. Zowel Christensen zelf als hoofdpersoon Barnum beschouwt dit boek als het belangrijkste werk uit de noordelijke landen. In het script vertelt Barnum zijn eigen levensverhaal over een eenzame jongen die in een bioscoopzaal zit en die naar een film kijkt die de film is van zijn leven. Het Droste-effect in volle glorie.

Behalve Vera zijn nog twee vrouwen dominant in Barnums leven, zijn oma Boletta en zijn overgrootmoeder die kortweg De Oude heet. Beiden zijn getekend door het leven, in het bijzonder door de mannen, die zomaar verdwijnen of onbereikbaar zijn. Een van hen maakt een barre tocht naar de Noordpool, zonder ooit terug te keren. Hierdoor is De halfbroer tevens een generatieroman, waarop de Scandinavische literatuur patent heeft. Barnum is een nieuwsgierige observator, die al vertellend in staat is tijdsgrenzen te doorbreken. Met verbluffend gemak en historische kennis verhaalt hij over de strijd om het bestaan van zijn grootmoeder en overgrootmoeder. Hij schetst de armoede, het interieur van de huizen van decennia geleden, de kinderrijke gezinnen. Verhaal na verhaal rijgt hij aan elkaar, soms zo associatief geschreven dat het de lezer duizelt. Wie is dat nu ook weer?

In de uiteindelijke ontmoeting tussen de beide halfbroers blijkt dat ze hun leven lang niet zonder elkaar hebben gekund. Ze vervolmaken elkaar in elk opzicht. Twee halfbroers die uiteindelijk echte broers uit één stuk zouden willen zijn. De halfbroer heeft de sprankelende kracht van een avonturenroman en laat, net zoals in Prousts Op zoek naar de verloren tijd, op overtuigende, literaire wijze zien hoe het geheugen en dus ook deze vorm van schrijfkunst werkt. Uit het ene beeld ontstaat het andere, zoals het wapperende wasgoed de liefdeslust opwekt en het kind dat hierdoor ontstaat een oneindig vertakkend levensverhaal creëert.

Lars Saabye Christensen: De halfbroer. Uit het Noors vertaald door Paula Stevens. De Geus, 640 blz. €32,50