Verzwolgen dorp mocht van planologen niet herrijzen

Bij de watersnoodramp van 1953, morgen vijftig jaar geleden, verdween het Zeeuwse Capelle volledig van de kaart. Ondanks pleidooien van overlevenden werd het gehucht nooit herbouwd.

Het is ,,een mirakel'', meent Kees van Dienst (67), dat ze hier nog gedrieën aan tafel zitten. Een wonder, knikken zijn zussen Corrie (77) en Nelleke (63). ,,Ons gezin is héél weggekomen, ongelooflijk. We zijn niet eens ziek geworden, terwijl we toch minutenlang in het ijskoude water lagen. Het was maar één graad.''

Thuis bij Corrie in Goes halen de drie herinneringen op aan de watersnoodramp van 1 februari 1953, die 1.835 levens eiste. En aan het gehucht waar ze woonden, Capelle op Schouwen-Duiveland, waar de stormvloed slechts twee woningen overeind liet. Van de ruim honderd bewoners verdronken er 42, onder wie ,,onze opa en opoe''. Grootvader is nooit teruggevonden, grootmoeders lichaam spoelde aan bij Vrouwenpolder. En Capelle? Weg! De ramp blijkt Capelle blijvend uit elkaar geslagen te hebben.

Eeuwen geleden was het hervormde Capelle nog een dorp van enige omvang, totdat het bij eerdere overstromingen zijn kerk en veel huizen verloor. Vóór de watersnoodramp was het ,,best goed toeven'' in het buurtschap met één café en één winkeltje, weten Kees, Corrie en Nelleke nog. In Capelle stond ook de cichoreifabriek, waar arbeiders ,,in een verschrikkelijke hitte'' uit bieten onder meer de grondstof van de beroemde `koffieversteviger' Buisman maakten.

Kees: ,,Er was in Capelle een enorm standsverschil tussen armen en rijken. Maar de mensen waren tolerant. De welgestelde boeren waren de kwaadsten niet.'' Nelleke: ,,Ze namen ons kinderen in hun auto's of met paard en wagen mee naar de dierentuin. En ze gaven de ouderen een lift om te gaan stemmen in Nieuwerkerk.''

Corrie: ,,Thuis waren we verschrikkelijk arm, ook al bezat mijn vader een zelf vertimmerd huisje, dat móói was als je het vergeleek met de andere huisjes. Pa was landarbeider. En in het najaar, als de boer niet veel werk had, woog hij bieten voor de bietenfabrieken.'' Kees: ,,We liepen elke ochtend zo'n vijf kilometer naar school in Nieuwerkerk, 's middags weer terug. Op klompen.'' Corrie: ,,Maar we hadden goed te eten, omdat we altijd een varken hadden en een groentetuin.''

`Het water komt, het water komt', klonk het die beruchte zondagochtend in Capelle. Kees van Dienst haastte zich met zijn vader naar buiten. ,,Ineens kwam er een muur van water aan, onvoorstelbaar.'' Ze gingen snel terug naar hun huis, de laagst gelegen woning van het buurtschap, dat uit één straat bestond. Pa, moe en drie kinderen – Corrie en Annie die al waren getrouwd woonden in Wolphaartsdijk, het zesde kind was uit logeren – spoedden zich naar de zolder. Het water steeg in hoog tempo. Toen het ook de zolder bereikte, klommen ze naar het dak. Kees: ,,Heel angstig, vooral voor onze moeder, die durfde nog niet op een stoof te gaan staan.''

Nelleke: ,,De buren schreeuwden: `Gooi alle pannen eraf, dan blijven jullie drijven als het huis instort'.'' Het gezin gíng drijven: op het eigen dak, vervolgens op een grotere houtmassa. Nelleke: ,,We gingen tweemaal flink kopje onder. Als dat de derde keer gebeurt, ben ik dood, dacht ik.'' Kees: ,,Dankzij de gunstige wind dreven we naar het dak van de buren.'' Kees weet nog dat hij, eenmaal veilig, ongelooflijk veel troep voorbij zag drijven. ,,Balen stro, stukken hout, van alles.'' Nelleke: ,,We zagen mensen op een vlot, onder wie een vrouw die die nacht was bevallen van een jongetje. Zij en haar hele gezin zijn omgekomen. We hebben vervolgens heel Capelle weggevaagd zien worden.''

De overlevenden van Capelle raakten elkaar bij de watersnoodramp kwijt. Ze werden geëvacueerd. Het gezin Van Dienst kwam drie maanden lang in het Brabantse Chaam terecht, verdeeld over drie adressen. Kees kreeg onderdak bij een aannemer. Zijn noodgedwongen vertrek uit Capelle was ,,een bijzondere ervaring'', vertelt hij, omdat hij tot dan toe slechts sporadisch van het ,,achterlopende eiland Schouwen-Duiveland'' was geweest. ,,Ik was timmerman; vanaf de eerste dag ging ik bij die aannemer meehelpen. Meteen iets aanpakken is, achteraf gezien, goed geweest voor de verwerking van de ramp.''

Nelleke: ,,Ik verwerkte de stormvloed vrij gemakkelijk bij de boerenfamilie waar ik werd ondergebracht. Als kind van dertien pak je gewoon weer alle dingen op, hoewel ik in Chaam niet naar school ging. Er waren trouwens geen psychiaters voorhanden, zoals tegenwoordig na een trauma.'' Corrie: ,,Onze zus Riet heeft de ramp nooit losgelaten. Ze is nog altijd zenuwachtig. Voor haar zou professionele hulp heel goed zijn geweest.''

Begin oktober 1953 keerden veel Capellenaars terug in hun oude buurt, toen ze noodwoningen betrokken aan het Beijersdijkje, tussen het weggespoelde gehucht en Zierikzee. De eigenaar van het enige Capelse winkeltje heropende daar zijn zaak. De band tussen de vroegere dorpsbewoners was ,,hecht'', zeggen oud-bewoners, maar het verblijf was slechts tijdelijk, omdat er alleen noodwoningen waren. Het gezin Van Dienst vertrok naar Zuid-Beveland, anderen gingen `boeren' in de Noordoostpolder, weer anderen vestigden zich in Brabant.

In het boek Hier was eens Capelle van Kees Slager staat dat een aantal burgers eind 1953 pleitte voor een wederopbouw van Capelle. Dat waren 72 mensen, ,,bijna allen mannen, vrouwen en meerderjarige kinderen, die de ramp overleefd hebben. Zij willen dat hun dorpje wordt herbouwd en voeren daarvoor emotionele en zakelijke argumenten aan.'' Ook Jacob van Dienst, de vader van Kees, Corrie en Nelleke, wilde een nieuw huisje neerzetten op de plaats van het oude, maar hij kreeg geen toestemming van de gemeente.

De planologen wilden dat het nieuwe Zeeland `doelmatig' herbouwd zou worden. Voor herstel van het buitengebied voelden ze niets. Elke gemeente moest één hoofdkern hebben die terwille van de leefbaarheid zo groot mogelijk moest worden. ,,De kleinere kernen die deels verwoest zijn, kunnen toch nooit leefbaar worden in de visie der planologen, dus is het zinloos daar weer huizen te gaan (her)bouwen'', staat in het boek van Slager. Niemand mocht terug naar Capelle, zelfs de slachtoffers van de ramp niet: de gemeente weigerde hun een plaats op het oude kerkhofje van het gehucht.

Nelleke van Dienst: ,,Van Capelle is niets over, het bestaat nog uit een paar huizen. Aan weerszijden van het plaatsje zette de gemeente een naamplaatje: Kapelle met een K. Na protesten is daar gelukkig weer een C van gemaakt.''

    • Guido de Vries