Tussen woede, schuld en verdriet

In een serie over vertaalde klassieken deze week `Een zachte dood' van Simone de Beauvoir (Vertaald door Greetje van den Bergh.

Ambo, 111 blz. euro 12,50)

Simone de Beauvoir (1908-1986) zou precies zo oud worden als haar moeder: achtenzeventig jaar. Dat wist ze nog niet toen ze in 1964 Une mort très douce schreef, over het overlijden van haar moeder in een Parijse privé-kliniek. Het boekje is nu opnieuw vertaald als Een zachte dood. In het Frans staat in feite: Een hele zachte dood, en dan blijkt de titel ineens een zekere ironie te hebben.

Zo heel zacht gaat het er namelijk niet aan toe met het oude, afgeleefde lijf van De Beauvoirs moeder, nadat er een kwaadaardig gezwel in haar darmen is ontdekt. Behalve een operatie die de lijdensweg van de patiënte alleen maar zal verlengen, krijgt zij ook te maken met doorligwonden en de ene pijnlijke injectie na de andere `voor haar eigen bestwil'. Bont en blauw als ze is, wordt ze toch op een stalen po gehesen om behoeftes te doen die ze niet kán doen.

De Beauvoirs minutieuze verslag van het sterfbed van haar moeder is te lezen als een pleidooi voor passieve euthanasie, en een aanklacht tegen artsen die er alleen op uit zijn om levens te verlengen, ongeacht de gevolgen voor de patiënt. Haast vier decennia later is haar betoog nog net zo actueel in Frankrijk, waar euthanasie verboden is.

Maar haar boek is niet alleen een aanklacht, het is ook een schuldbekentenis – het is namelijk De Beauvoir zelf die toestemming heeft gegeven voor de operatie die haar moeders leven zou verlengen. Ze vraagt zich af hoe het zo ver heeft kunnen komen. `Je bent gezwicht voor de techniek, en dat was te voorzien', merkt haar vriend Sartre nuchter op, en zelf concludeert ze dat ze is `meegesleurd door een radarwerk'.

Het is niet de enige keer in Een zachte dood dat de filosofe De Beauvoir in conflict komt met de dochter die zij tegelijkertijd ook is. Als intellectueel mag De Beauvoir heilig geloofd hebben in de existentialistische opvattingen over de vrijheid van het individu en de keuze, op het moment dat ze oog in oog staat met haar angstige moeder, doet de filosofe wat menselijk is onder die omstandigheden: ze liegt. Net als haar jongere zus Poupette houdt ze de stervende vrouw voor dat er niets aan de hand is, en spreekt haar moeder streng tegen wanneer die iets begint te vermoeden van haar werkelijke toestand: `Juist nu zij zich verpletterd voelde door de waarheid, en er behoefte aan had gehad die van zich af te praten, veroordeelden wij haar tot zwijgen, dwongen wij haar om haar angst te verbergen en haar twijfels te onderdrukken; ze voelde zich – als zo vaak in haar leven – schuldig en onbegrepen tegelijk.'

Zo genadeloos als De Beauvoir haar eigen irrationele gedrag aan het sterfbed analyseert, ontleedt ze ook het karakter en het leven van haar moeder. Op die momenten krijg je als lezer het gevoel dat de filosofe en feministe (La deuxième sexe was al vijftien jaar oud in 1964), het weer van de dochter overneemt, en dat ze haar moeder dan in de eerste plaats als een slachtoffer beschouwt. De Beauvoirs moeder wordt afgeschilderd als `de slaaf' van het bourgeois milieu waarin ze opgroeide: `haar geval alleen al zou voldoende zijn om mij ervan te overtuigen dat het huwelijk als burgerlijk instituut een tegennatuurlijke instelling is.' Dan weer is De Beauvoir in de eerste plaats een dochter, die manoeuvreert tussen woede én schuldgevoel na de dood van haar moeder, en die de balans opmaakt van hun relatie: `Het ,,lieve mamaatje' van toen ik tien was valt niet meer te onderscheiden van de afwijzende vrouw die mij als puber onderdrukte; om beiden huilde ik toen ik om mijn oude moeder huilde.'

Steeds blijft De Beavoir zich er echter van bewust dat haar reacties horen bij het `geijkte patroon'. Dat geldt ook voor haar schuldgevoel: `omdat we voor niemand ooit doen wat we kunnen – zelfs niet binnen de aanvechtbare grenzen die we voor onszelf hebben vastgesteld – blijft er nog heel wat over dat we ons kunnen verwijten. Tegenover moeder hadden we ons de laatste jaren vooral schuldig gemaakt aan onverschilligheid, nalatigheid, afzijdigheid.'

Kenmerkend voor De Beauvoirs filosofische en tegelijk persoonlijke benadering van haar rouw, is de vraag die zij zich ten slotte stelt aan het eind van Een zachte dood: `Waarom heeft de dood van mijn moeder me zo aangegrepen?' De vraag is natuurlijk eerder: waarom stelt De Beauvoir zich die vraag? Zelfs het verdriet moet begrepen worden, en vreemd genoeg is het juist dat vergeefse streven naar luciditeit dat De Beauvoirs boekje ontroerend maakt. Eerlijk biecht ze op dat ze het vroeger maar `neurotisch' vond als een vrouw van vijftig rouwde om haar bejaarde moeder: nu kampt zij met een onverwacht verdriet.

Zelfs in de laatste zin van het boek doet ze nog een laatste vergeefse poging haar verdriet in algemene termen te verklaren: `Alle mensen zijn sterfelijk; maar voor ieder mens is zijn eigen dood een ongeval, en zelfs als hij het weet en er niet tegen protesteert, een ongehoorde daad van geweld.'

    • Yra van Dijk