Tropenmuseum biedt moderne kijk op koloniën

Het Tropenmuseum wilde een expliciet postkoloniale opstelling maken. Dat levert in de ene zaal klassieke ontroering op, maar elders slaat het lawaai de ervaring plat.

Het heeft even geduurd, maar het Tropenmuseum heeft zijn ideologische veren afgeschud. Waar het museum de afgelopen twintig jaar vooral de tegenstellingen tussen arm en rijk centraal stelde, wil Oostwaarts!, de nieuwe inrichting van de afdeling over `kunst, cultuur en kolonialisme', een ,,niet-bedreigend en niet-moraliserend referentiepunt'' zijn. Ofwel een ,,expliciet postkoloniale opstelling, die Nederlandse koloniale beelden, opvattingen, ervaringen en waardepatronen onderzoekt en ter discussie stelt''. ,,Beleving'' is daarbij het ,,ervaringsbeginsel''.

Die postideologische voornemens zijn slechts op een deel van Oostwaarts! nadrukkelijk zichtbaar. De meeste zalen zijn gereserveerd voor `klassieke' uitstallingen van topstukken uit de collectie: akelige Papoea-maskers, meterslange prauwen vol beelden van geesten of een Nieuw-Guinees bontmutsje. Ook staat er een uitgebreide voorstelling van Boeddha en onder hem de hel waarin een tiental mensen crepeert en probeert genade af te smeken. Die hel is overigens een oven. Daar vlakbij ligt de beroemde `kris van Knaud' uit 1342, al is die in werkelijkheid kleiner dan je verwachtte.

In die zalen gebeurt wat de makers op het oog moeten hebben gehad: je laat de spullen op je inwerken, ziet een verband met een vitrine een stukje terug, mijmert even bij het ontroerende tafereel van een twaalftal knus tegen elkaar aan gegroepeerde dodenbeeldjes.

Ongeveer een kwart van de tentoonstelling is, duidelijk met jonge en onrustige bezoekers in gedachten, gewijd aan de `koloniale ervaring'. Daar begint het met een pop van de 17de-eeuwse blinde botanicus Rumphius, omringd door een veel schelpen, kruiden en opgezette dieren. De fascinatie van de wetenschapper wordt daar voelbaar, maar in de hoek van dezelfde ruimte vindt ineens een computerrepresentatie plaats van de Atjeh-oorlog. Prachtig historisch beeld, maar de overgang is erg ruw.

De volgende zaal is de met de meeste zorg samengestelde ruimte: er staan zeven levensgrote sprekende poppen, `archetypen', deels van werkelijke personen, deels van verzonnen mensen. Onder hen een gouverneur-generaal, een tabaksplanter, een Knil-soldaat en een zendelinge. Ze praten, zitten op een ronkende brommer of maken anderszins geluid – maar ze geven je erg weinig houvast. De poppen zijn met veel aandacht gemaakt, inclusief zweetdruppels op hun slapen en hun teksten zijn zorgvuldig gekozen, maar je waant je vooral in een jungle. Juist omdat ze de zintuigen zo overvoeren krijgen ze iets eenvormigs. In de volgende zaal wordt het zicht op de maquettes van huizen op Borneo gehinderd door de weerspiegeling van een film die op de tegenoverliggende muur wordt geprojecteerd.

,,Beleving'' schiet op dat deel van de tentoonstelling dus tekort als ,,ervaringsbeginsel'' – of preciezer: de overdaad aan beleving in een minimale structuur slaat de ervaring uiteindelijk plat. Dat dat niet aan de details ligt en ook niet aan het verlangen jongeren te interesseren blijkt uit het geslaagde computerspel waarin je als Ambonese kruidnagelkoopman de zee op gaat om je waar te verhandelen. Als je een Hollands schip tegenkomt, verbeeldt een gokspel je kansen: één op acht om er beter van te worden en zeven op acht kans om een deel van je lading kwijt te raken. Daar wordt een niet-moraliserend referentiepunt geschapen in de beste zin van het woord.

Zat. 1 febr. publieksdag met o.m. actualiteitencolleges, dansvoorstellingen, workshops voor kinderen en films. Inf. www.tropenmuseum.nl/ 020-5688215.

    • Arjen Fortuin