Tot het bittere einde

Recente boeken over de holocaust zijn vaak te sensationeel, of ze verliezen zich in details. Een nieuwe algemene geschiedenis probeert de slachtoffers als concrete mensen te tekenen.

Het is een understatement om te zeggen dat er veel over de jodenvervolging wordt geschreven. Meer is ook in dit geval niet altijd beter. De grote hoeveelheid beschouwingen leidt niet vanzelfsprekend tot een groter inzicht. Zo verschijnen er regelmatig opgewonden studies met wilde stellingen, over de rol van IBM, van Zwitserse banken of zelfs van Hitlers afwijkende teelballen, als verklaring voor het complexe en tegenstrijdige proces van de jodenvervolging in zijn geheel. De betreffende auteurs verliezen zich in een detail en zien dat aan voor het hele verhaal. Opvallend genoeg lijden ook veel op zich degelijke historische studies aan een obsessie met het detail. De specialisten in Holocauststudies zijn veelal met elkaar in debat over het exacte verloop van een razzia in het zoveelste dorp in de Oekraïne. Ook zij verliezen dan al gauw de grote lijn uit het oog. Er verschijnen maar weinig studies die overzicht bieden. Dat verklaart voor een deel de populariteit van studies die wel zo'n samenhangend inzicht beloven, zoals Goldhagens Hitler's Willing Executioners, of Brownings Ordinary Germans.

De Holocaust. Een geschiedenis, van de Amerikaanse hoogleraar Holocauststudies aan de Yale University Dwork en de van oorsprong Nederlandse Van Pelt, hoogleraar aan de University of Waterloo, beantwoordt daarom aan een reële behoefte. Zij schreven eerder een opzienbarende studie over Auschwitz en Van Pelt trad op als getuige in het proces van Holocaust-ontkenner David Irving. Deskundig, zonder zich te verliezen in wetenschappelijke polemiek op detailpunten, maar ook zonder het verhaal interessanter te willen maken door onhoudbare stellingnames, biedt dit boek, zoals de ondertitel zegt, `een geschiedenis'. Dat klinkt bescheiden, om niet te zeggen oppervlakkig, en dat is dit boek soms ook. Hoe nuttig een overzicht ook is, voor degenen die wel eens vaker iets over de jodenvervolging hebben gelezen, laten de auteurs vaak juist die vragen liggen waar je graag een overtuigend antwoord op had gekregen.

Dat begint in de inleiding, waar de vraag wordt opgeworpen hoe het toch kan dat op een continent waar nationale lotsverbondenheid, het beginsel van de mensenrechten, wetenschappelijke rationaliteit, christelijke naastenliefde en universele moraal zo hoog worden geschat, toch een massamoord plaats kan vinden die al deze waarden met voeten treedt. Het antwoord dat Dwork en Van Pelt in het eerste hoofdstuk al (te) kort bieden, is dat al deze tradities ook de wortels van de jodenvervolging in zich bergen: christelijk antijudaïsme, eng nationalisme, afkeer van culturele eigenheid in naam van de mensheid, darwinisme en wetenschappelijk racisme droegen alle bij aan de anti-joodse stemming die aan het eind van de jaren twintig door de nationaal-socialisten gemobiliseerd kon worden. Ik zou dan graag willen weten wat het relatieve gewicht van de verschillende invloeden is, maar me ook afvragen of al deze tendenties wel dezelfde richting uitwezen.

Dwork en Van Pelt laten deze kwestie liggen en gaan al snel over op de vraag waarom deze ideeën zo aansloegen en waarom ze konden leiden tot het daadwerkelijk uitvoeren van een genocide. Geen gewillige beulen, zelfs geen gewone Duitsers in ongewone omstandigheden, maar een gebrek aan Zivilcourage en een grote passiviteit van de bevolking is volgens hen de belangrijkste verklaring. Dat beeld verhoudt zich moeizaam tot het onmiskenbare enthousiasme dat Hitler, inclusief zijn moordzuchtige antisemitisme, wist op te roepen. Het gaat ook voorbij aan de voorbeelden die onder anderen Eric Johnson in The Nazi Terror heeft gegeven van opvallend verzet vanuit de Duitse bevolking, bijvoorbeeld tegen de eliminatie van zwakzinnigen en gehandicapten. Maar ook van pogingen om het nazi-bewind te manipuleren, zoals blijkt uit de vele vormen van kleingeestig verraad van lastige buren en ontrouwe echtgenoten bij de Gestapo – die daar meestal niet op inging.

Het volle gewicht komt bij Dwork en Van Pelt te liggen op het nazistische staatsapparaat. Zonder veel nadere analyse wordt de stelling van Hitler-biograaf Ian Kershaw overgenomen dat het vervolgingsbeleid radicaliseerde als gevolg van het mechanisme van `working towards the Führer': strijdende facties in de nazi-elite hoopten de onderlinge concurrentieslag te winnen door te anticiperen op de instemming van Hitler met steeds verdergaande maatregelen. In navolging van onder anderen Götz Aly wordt bovendien de bevolkingspolitieke doelstelling van het nazi-bewind benadrukt. Eerst ging het nog om een gewelddadige etnische herindeling van Oost-Europa, maar gaandeweg, in de context van de oorlog en het mislukte offensief tegen de Sovjet-Unie, werden alle emigratieplannen verworpen en ging men over tot fysieke vernietiging van alle joden, ook in West-Europa.

Pijnlijk precies

Terecht gaan Dwork en Van Pelt voorbij aan de discussie over het al of niet bestaan van een smoking gun in de vorm van een Führerbefehl voor de vernietiging van de joden. De discussie daarover heeft langzamerhand een scholastieke toestand bereikt. Zij gaat eraan voorbij dat in het najaar van 1941 onder leidinggevende nazi's het idee van een radicale genocide postvatte. Dwork en Van Pelt laten pijnlijk precies zien hoe via trial and error gezocht werd naar de meest efficiënte technologie van de massamoord. Daarnaast geven zij een ingehouden beschrijving van de getto's en de belangrijkste kampen, waar mensen ook zonder directe moord weinig overlevingskansen hadden.

Door de manier waarop deze bekende stadia van de jodenvervolging in beeld worden gebracht, gaat langzamerhand toch een eigen geluid klinken. Dwork en Van Pelt leggen grote nadruk op getuigenverklaringen in hun geschiedenis van de vervolging. Zij maken uitgebreid gebruik van dagboeken, memoires en een hele reeks interviews die met name Dwork halverwege de jaren tachtig met joodse overlevenden heeft gemaakt. De bedoeling van deze getuigenverklaringen is meer dan het verlevendigen van de tekst met persoonlijke verhalen. Zij willen laten zien dat joden geen willoze slachtoffers waren, maar denkende en handelende mensen: `Al te vaak worden ,,de joden' tot ze werkelijk dood waren, als een massa van levende doden gezien'. Bovendien gaat volgens de auteurs ten onrechte vaak alle aandacht uit naar `de machinerie van de dood' in Polen, met voorbijgaan aan de even ingrijpende vervolging in West-Europa. Daarom benadrukken zij de stem en het zelfstandig handelen van joden en laten ze zien dat het wrede van hun lot juist lag in de dehumanisering van het bestaan. En ten slotte richten zij zich ook op Zuid- en West-Europa, waarbij behalve aan Frankrijk, vooral veel aandacht wordt besteed aan Nederland.

Helemaal in evenwicht is het boek daardoor niet. Afgezien van het feit dat België of Denemarken er veel bekaaider vanaf komen, lijkt me alle aandacht voor de Nederlandse verzetsgroep NV en de redding van joodse kinderen uit de crèche tegenover de Hollandsche Schouwburg in Amsterdam een overdaad die slechts valt te verklaren uit het eenzijdige interview-materiaal dat Dwork waarschijnlijk heeft verzameld voor haar eerdere boek, Children with a Star uit 1991 (zie ook de rubriek Ramsj in deze bijlage). Een goed overzicht van de jodenvervolging in Nederland levert het niet op, en dus ook geen antwoord op de vraag die historici en het Nederlandse publiek al lang bezighoudt: waarom zijn er uit Nederland relatief meer joden gedeporteerd dan uit Frankrijk en België?

Bovendien zijn hun oordelen over Nederland niet altijd overtuigend. Zo presenteren zij de Februaristaking in 1941 als een breukpunt, waarna de Nederlandse bevolking afstand nam van de traditie van tolerantie en meer geneigd was tot aanpassing. Recente studies, zoals van Guus Meershoek over de Amsterdamse politie of van Wichert ten Have over de Nederlandsche Unie, wijzen eerder op het tegendeel: tot 1941 werden er pogingen tot accommodatie ondernomen, maar na de Februaristaking verloren Nederlandse bestuurders het geloof in een compromis met de Duitsers, en de laatsten het vertrouwen in bereidheid tot zelfnazificatie van de Nederlanders. Het Duitse optreden werd daarna een stuk repressiever, om in het late voorjaar van 1942 over te gaan in een regelrechte eliminatie van de Nederlandse joden. Toen pas kwam de hulp aan joden op gang – veel te laat en veel te weinig om de ondergang van ruim driekwart van hen te voorkomen.

Hagelstorm

Ten slotte keren de auteurs zich tegen de nog steeds vrijwel unanieme bewondering voor Pressers Ondergang (1965). Zij vinden om te beginnen dat, meer dan Presser, Lou de Jongs televisieserie `De bezetting' eraan heeft bijgedragen dat de jodenvervolging publiekelijk onder ogen werd gezien. Zij menen ook dat Presser in zijn boek `geen historische context heeft geschetst' en, zoals De Jong ooit zei, de vervolging beschreef als een hagelstorm die vijf jaar lang de joden als weerloze slachtoffers teisterde.

Het beeld dat De Holocaust. Een geschiedenis oproept biedt een andere indruk: het toont handelende en sprekende mensen, die zich verzetten of hun vege lijf trachtten te redden, naast weinig toeschietelijke en soms ronduit vijandige landgenoten en tegenover obsessieve en vastberaden nazi's, die zonder schroom de weg naar genocide insloegen. In dit beeld is de jodenvervolging weliswaar geen natuurramp, maar nog steeds een even onvermijdelijke als doodlopende weg van de Europese beschaving, die zonder oog voor de afslagen en zijpaden tot het eind toe afgelopen werd.

Debórah Dwork en Robert Jan van Pelt: De Holocaust. Een geschiedenis. Vertaald door Coen Hilbrink. Boom, 504 blz. €29,90