Ondernemend Rotterdam

Van held tot uitbuiter tot object van serieuze studie: het beeld van de ondernemer is aan verandering onderhevig. In vijftig korte biografische schetsen laat het boek Rotterdamse ondernemers 1850-1950 zien wie de ondernemers waren die in een eeuw tijd Rotterdam groot maakten.

Binnen, maar ook buiten Rotterdam zijn het bekende namen: Van Beuningen, Gispen, Henkes, Jamin, Swarttouw. Meestal zijn ze bekend door de naam op de gevel van een bedrijf of als straatnaam, maar wie het ook alweer waren...? Het Centrum voor Bedrijfsgeschiedenis van de Erasmus Universiteit heeft in het boek Rotterdamse ondernemers 1850-1950 vijftig beknopte biografische schetsen samengebracht van ondernemers en ondernemende families uit het tijdvak waarin het economische leven in de Maasstad tot bloei kwam. Dit was ook de tijd waarin ondernemers grote invloed hadden op het politieke, maatschappelijke en culturele leven.

Het stempel dat veel van de beschreven entrepreneurs op de stad hebben gedrukt is tot op de dag van vandaag nog steeds zichtbaar. In de naam en de collectie van het museum Boijmans-Van Beuningen leeft de zakenman/verzamelaar Van Beuningen nog voort. Het Feyenoord-stadion ging in 1937 open dankzij investeringen van onder anderen Van Beuningen en directeur De Monchy van de Holland-Amerika lijn, en Europa's eerste wolkenkrabber, `Het Witte Huis', werd gebouwd in opdracht van de eerste accountant in Nederland, Moret.

De samenstellers hebben gekozen voor een zo breed mogelijk scala van ondernemers. Niet alleen de voor de stad zo belangrijke havenbaronnen komen aan bod, maar ook zakenmensen als amusementskoning Dirk Reese. In 1927 opende hij zijn eerste café `De Wets Proeflokaal' aan de Binnenweg 27, veertien jaar later bezat hij ruim twintig `proeflokalen' in de stad. Ook de familie Van Oordt komt aan bod, die onlosmakelijk is verbonden met de suikerbranche. Wie vandaag een kop koffie gaat drinken, heeft nog steeds een grote kans een suikerzakje van Van Oordt op het schoteltje te vinden. Wie zegt de naam Jamin niets? Voor velen jeugdsentiment, maar nog altijd een begrip in de verkoop van snoep.

Aan de bondige biografieën gaat een inleiding vooraf die de evolutie van het economische leven in de Maasstad beschrijft – en wie Rotterdam zegt, zegt: de haven. Vanaf 1880 veranderde de aard van de bedrijvigheid in de haven: Rotterdam onderging een transformatie van koopmansstad in doorvoerhaven. Inmiddels was de infrastructuur voor de haven verbeterd. Dankzij de aanleg van de Nieuwe Waterweg in 1872, een kortere en diepere vaargeul die de Rotterdamse haven met de Noordzee verbond, konden grote stoomschepen hun goederen de Rotterdamse haven binnenbrengen. Die goederen waren grotendeels voor Duitsland bestemd, waar de industriële expansie in volle gang was; de zeeschepen werden geladen en gelost door Rijnschepen die af en aan voeren tussen Rotterdam en Duitsland.

De Nieuwe Waterweg betekende dus ook nieuwe impulsen voor het ondernemersklimaat. Zo maakte de vooraanstaande verzekeraar Marten Mees zich samen met de omstreden joodse ondernemer Lodewijk Pincoffs sterk voor een stoomvaartverbinding met Amerika. In 1873 was dankzij dit initiatief De Nederlandsch-Amerikaanse Stoomvaart Maatschappij, de latere Holland-Amerika Lijn, een feit. Met Pincoffs is het minder goed afgelopen: om aan een gevangenisstraf wegens valsheid in geschrifte te ontkomen vlucht hij naar Amerika, waar hij nog een paar keer failliet gaat en in 1911 berooid sterft.

De maatschappelijke betrokkenheid van veel ondernemers in deze honderd jaar komt ook ruim aan bod. Zo blijkt uit de portretten van Marten Mees, Kees van der Leeuw (firmant De wed. J. Van Nelle) en Jan Backx (Thomsens havenbedrijf) hoe groot hun bijdrage was aan het bevorderen van de volkswoningbouw voor de lagere Rotterdamse klasse. Mees speelde naast zijn lidmaatschap van de Provinciale Staten ook een belangrijke rol in de drankbestrijding. Van Beuningen was behalve eigenaar en directeur van de Steenkolen Handels Vereeniging één van de initiatiefnemers tot de bouw en financiering van het Feyenoord stadion en ook een groot kunstliefhebber. Zelf speelde hij viool en oefende hij vaak met beroepsmusici, die gebruik mochten maken van zijn collectie kostbare oude instrumenten. In 1939 schonk hij een nieuwe kopersectie aan het Rotterdams Philharmonisch Genootschap. Tussen de beide wereldoorlogen groeide hij uit tot één van de belangrijkste kunstverzamelaars van Europa, waarbij de toenmalige directeur van Museum Boijmans hem adviseerde en regelmatig bij belangrijke aankopen bemiddelde. Als tegenprestatie gaf Van Beuningen vele werken in bruikleen of schonk hij deze aan het museum. In 1958, drie jaar na zijn dood, werd zijn naam aan dat van het museum toegevoegd.

Desgevraagd zegt Joop Visser, evenals de andere samenstellers Mies van Jaarsveld en Paul van de Laar verbonden aan het Centrum voor bedrijfsgeschiedenis, dat deze uitgave de aanzet moet zijn tot een uitgebreide wetenschappelijke studie naar ondernemersgedrag en -netwerken in Rotterdam. ,,Het eerste plan, een grootschalig project tot het schrijven van biografieën van Nederlandse ondernemers, bleek te ambitieus; het geld en de tijd ontbraken. Het Centrum voor Bedrijfsgeschiedenis besloot hierop het project in eerste instantie te beperken tot Rotterdam. Waarschijnlijk zullen nog volgende biografieën in een database van dit Centrum worden opgeslagen.'

De samenstellers hebben ernaar gestreefd de ondernemers evenwichtig te portretteren, zegt Visser. ,,Werden ondernemers in de jaren zestig van de vorige eeuw als helden geportretteerd, voorbeeldige personen die door hun persoonlijke inzet en creativiteit bloeiende ondernemingen hadden opgebouwd, in de jaren zeventig werden ze vaak neergezet als uitbuitende kapitalist. In de jaren tachtig kwam daar langzaam verandering in en kregen academici meer belangstelling voor wetenschappelijk onderzoek naar bedrijfs- en ondernemersgeschiedenis.'

De samenstellers hebben ervoor gekozen het boek in 1950 te laten eindigen om geen ondernemers erin te hoeven opnemen die nog in leven zijn. Bovendien vond er na de oorlog een omslag plaats in het ondernemerschap: het meerderheidsbelang van veel ondernemingen kwam te liggen bij aandeelhouders die niet actief waren in het bedrijf en dit lieten leiden door een ingehuurde manager. En een manager is écht iets anders dan een ondernemer.

Rotterdamse Ondernemers 1850-1950, €34,90, Uitg. de Hef, 269 blz., zw-w. geïll., ISBN 906906034-5.

    • Gert-Jan Wondergem