Onder dieren

Diep in het meer heerst de donkere

stilte, daarin laveren de lichtschuwe

vissen. Het rusteloze

begint bij de golfslag en even

daarboven wordt tijd uitgezet

in bijvoorbeeld de fictieve grafiek

die een zonbeschonken maan

schrijft boven de nachtberg. Tijd

lijkt schoonheid wanneer je er

uit de diepte naar kijkt.

Zo was er een visje dat morde: ik

heb mijn bekomst van dit eeuwige

duister, wil weg uit die dulle kweekbak

van schoolslag, ik ga van het meer

de lichtheid verkennen, aan de randen

is het luisterrijk zwemmen en hoog

in het bubbelbad golfslag gebeurt het, daar

bruist de kunst van het vinnig

jongleren, schuim in de kieuwen, wind

door de staart, zon op de schubben. Zo

zwom het

weg uit de school van de schuwen,

stootte zijn kop aan een gril

van de rots, waagde zich

verder, trots op zijn algdronken

honger naar hoger. Aan de rand

van het meer stond die andere

honger vermomd als een vogel

verrekkend van rammel, ogen

op buut, het vreetgrage lijf een listig

gevederde boog, de pijlsnelle

snavel klaar om een leven

te roven. Met geduld op je stek

vis je het beste, dacht de vogel

gewiekst zonder te denken, altijd wel één

wiens geest hem te hoog drijft, die

zonodig zijn kop uit het water moet

steken, z'n bek eens wil luchten,

zijn vinnen moet drogen.

Ook mijn vlees dorst naar zuiver

verteerbare geest: met andermans honger

stil ik mijn honger.

    • Hester Knibbe