Officier wraakt rechters

Voor de rechtbank van Den Bosch is gisteren een wrakingsverzoek behandeld dat was ingediend door een officier van justitie. Volgens de aanklager hebben de drie rechters de schijn van partijdigheid op zich geladen door zijn verzoek om aanhouding van een zaak af te wijzen. Het is zeer ongebruikelijk dat een officier van justitie een rechter wraakt, aangezien beiden behoren tot de rechterlijke macht.

De wraking betreft een zaak waarin een vrouw terechtstaat voor verkrachting van haar lichamelijk gehandicapte buurman. Tijdens de behandeling ter zitting, vorige week, vroeg officier van justitie R. Appels om aanhouding. Hij achtte nader onderzoek vereist naar zowel de medische gesteldheid van het slachtoffer als de psychische gesteldheid van de verdachte. Dit zou meer licht moeten werpen op de tegenstrijdige verklaringen die beiden hebben afgelegd. De rechtbank wees beide verzoeken af.

Die afwijzing was een teken dat zij hun oordeel al klaar hadden, zo betoogde Appels gisteren voor de wrakingskamer. ,,Het moest kennelijk die dag af zijn.'' Uit het feit dat de rechters geen nadere informatie over de verdachte behoefden, bleek volgens hem dat zij van plan waren haar vrij te spreken. Hij meent dat zij daarvoor niet over voldoende gegevens beschikten. Als het wrakingsverzoek wordt toegewezen, wordt de zaak opnieuw behandeld door drie andere rechters. Meestal zijn het advocaten die rechters wraken en niet officieren. In een vorig jaar verschenen onderzoek van het WODC, het onderzoeksbureau van het ministerie van Justitie, gaf slechts een van de 201 ondervraagde officieren aan weleens te hebben gewraakt, tegen 21 procent van de 265 ondervraagde advocaten.

De advocaat van de verdachte, P. van der Kruijs, nam het gisteren op voor de rechtbank. Wraking is volgens hem bedoeld om de verdachte een eerlijk proces te garanderen. ,,Ik kan mij niet voorstellen dat de verdachte bezwaar heeft als de rechtbank naar vrijspraak tendeert.'' Ook was de rechtbank volgens hem voldoende geïnformeerd om een vonnis te kunnen vellen. Uitspraak 6 februari.