Nooit heimwee in den vreemde

Sándor Márai was al over de zeventig, toen hij zijn memoires onder de titel Land, land!... optekende. Het boek over de jaren 1944-'48, een beslissende periode in het leven van de schrijver, verscheen voor het eerst in 1972 bij een Hongaarse uitgever in Toronto. Op dat moment zwierf de schrijver, geboren in 1900 in Kassa in Opper-Hongarije (nu Košice, Slowakije), al bijna vijfentwintig jaar over de aardbol, zonder de hoop ooit terug te kunnen keren naar zijn vaderland. Het land waarnaar hij verlangde, een vrij, burgerlijk Hongarije, had in die vorm echter nooit bestaan.

Márai, in de jaren dertig niet alleen een succesvolle roman- en toneelschrijver, maar ook een invloedrijk publicist, was de belichaming van de vooruitstrevende, geëngageerde, Europees georiënteerde burgerij. In 1948, toen de communisten in het door de oorlog verwoeste land aan de macht kwamen, zag Márai dat het systeem hem op zijn minst monddood zou maken en besloot hij te emigreren.

Land, land!... begint, met veel gevoel voor dramatiek, met de beschrijving van een feestje bij Márai thuis, in Boeda, ter gelegenheid van zijn naamdag, op 18 maart 1944. De sfeer is gespannen, onheilspellend. Wanneer alle gasten weg zijn, wordt Márai door een vriend, werkzaam op het bureau van de minister-president, opgebeld met de mededeling: `De Duitsers hebben vannacht Hongarije bezet.' (Pas toen was de trouwe bondgenoot Hongarije niet meer betrouwbaar genoeg voor Hitler.)

Na deze openingsscène lijkt Márai zelfs getroffen door acuut geheugenverlies: hij vervolgt zijn relaas op tweede Kerstdag 1944, als hij in het dorp waar hij zich had teruggetrokken voor het geweld, de eerste Russische soldaat tegenkomt. Alsof er in de tussenliggende negen maanden niets was gebeurd, alsof er geen achthonderdduizend joden naar concentratiekampen waren afgevoerd dankzij de soepele samenwerking tussen organisatietalent Eichmann en overijverige Hongaarse ambtenaren.

Waarom is Márai's geheugen zo selectief? Laten we ouderdom, de uitzichtloosheid van de ballingschap, de frustratie en de woede over de onmogelijkheid een Hongaarse burger te zijn, als verzachtende omstandigheden beschouwen. Maar zijn herinneringen geven hier een vertekend beeld van de situatie – hier en daar de schrijver zelfs onwaardig. Wie Márais dagboeken uit 1943-'44 niet kent, zou zo uit Land, land!... kunnen concluderen dat Márai zich van het lot van zijn joodse landgenoten niets aantrekt. Dat hij niet eens zijn blik afwendt, maar dat hij totaal blind is voor wat er om hem heen gaande is. Maar dat is zeker niet waar. Het gaat Márai in Land, land!... alleen niet om de oorlog. Op het moment van het schrijven is hij het contact met zijn lezers kwijt, te oud om in de toekomst te geloven, maar nog niet oud genoeg om te berusten in zijn tragisch lot, dat hij nooit naar het land terug zal gaan waar men zijn woorden begrijpt. Márai gaat naarstig op zoek naar bewijzen die de juistheid van zijn beslissing staven, dat hij in 1948 verplicht was, uit naam van de literatuur en het vrije denken, zijn land te verlaten.

Het is dan ook niet verbazingwekkend dat hij een grote weerzin koestert tegen alles wat Russisch is, of sovjet, of communistisch. Márai poogt misschien objectief te zijn: `Ik wil dat ,,andere' niet bekritiseren, ik wil er geen waardeoordeel over uitspreken of het als minderwaardig afschilderen: ik stel dit eenvoudig vast.' Wat? Dat de Russen een `primitief volk zijn met sterke inzichten', `bovendien gewiekst en sluw en vol leedvermaak.' Dat de Kozakken beestachtig met hun paarden omgaan: ze snijden om de veertig kilometer de slagader van het dier open om eruit te drinken, naaien daarna de wond dicht en rijden verder. En dat al die sovjetmensen vol devotie over `beschaving' spreken terwijl ze verbazend weinig lezen – een conclusie die hij trekt uit gesprekken met officieren van het bevrijdings-bezettingsleger. Als alle mannen in het dorp worden opgeroepen mee te doen aan de bouw van een noodbrug, weigert Márai hoogmoedig, omdat `fysieke arbeid niet mijn taak was'.

Wat jammer van die enormiteiten, van het gebrek aan relativeren, van het uitblijven van een knipoog. Terwijl dat juist het kenmerk van Márais stijl is: de meest banale gemeenplaatsen in volle ernst opschrijven en er een onverwachte draai aan geven, niet met het doel een punt te maken, maar om een andere dimensie aan het verhaal toe te voegen. Wie geduld heeft na het eerste deel door te lezen, wordt dan ook beloond met typische Márai-episodes, echte pareltjes, zoals die over een joodse politieofficier die, plotseling baas geworden over leven en dood, in december 1945 eenzaam een copieuze maaltijd gebruikt in een café in het verwoeste Boedapest.

Márais zoektocht voert echter voornamelijk langs ideeën; zijn persoonlijke leven, zijn omgeving laat hij buiten beschouwing. Ook wanneer hij over gesprekken vertelt, concentreert hij zich op de filosofische inhoud. Hij neemt denkbeelden over maatschappij, religie, vrijheid, literatuur onder de loep, om telkens uit te komen bij de ethische waarden van de burgerij waarop de Europese beschaving stoelt, en bij de taak van de mens burger te zijn. Hij bekritiseert de huichelachtigheid van de oude maatschappij, en huivert bij het zien van de meedogenloosheid van de nieuwe. Hij observeert, maar zijn beschouwingen blijven voornamelijk cerebraal. Hij blijft zichzelf herhalen dat een schrijver niet in een systeem mag leven dat `niet alleen vrij spreken en vrij schrijven maar zelfs vrij zwijgen' verbiedt, dus moet hij zijn land verlaten. Om zijn vertrek voor te bereiden leest Márai zoveel hij maar kan, zuigt zich vol met wat het `tweede garnituur' heeft geschreven, de minder succesvolle, onbekende of inmiddels vergeten auteurs, die ook hoge eisen aan zichzelf stelden en grootse werken hebben voortgebracht. Deze werken wil Márai als leesherinnering met zich meenemen – de meesterwerken verwacht hij ook in buitenlandse bibliotheken te kunnen vinden. Van dit vaarwel aan de Hongaarse cultuur krijgt de lezer een brok in de keel.

`In den vreemde voelde ik nooit heimwee,' schrijft Márai, en wie wil, mag hem geloven. Ik denk dat hij zich alleen maar groot houdt, dit boek vol gekrenktheid en weemoed is daar het bewijs voor. Hij zal het nog ruim vijftien jaar volhouden voordat hij de strijd in 1989 toch staakt. Enkele maanden voor het ineenstorten van het communisme pleegt Márai in San Diego zelfmoord.

Sándor Márai: Land, Land!... Uit het Hongaars vertaald door Mari Alföldy. Wereldbibliotheek, 366 blz. €24,90