Mijnheer,

Als Muis met uitstekende referenties bij verschillende hooggeplaatste gezinnen heb ik in mijn vrije uren tot mijn genoegen steeds gelegenheid te over gehad om bij te lezen. De meesterwerken der wereldliteratuur kennen weinig geheimen meer, de grote filosofen heb ik allemaal gehad. Bij een van mijn werkgevers stond zelfs Freud op de plank, die ik met plezier van band tot band geproefd heb.

Ik beschouw Mijzelf als een Nuchtere Muis, mijnheer, eerder aards van ingesteldheid, doorgaans nuchter, plichtsgetrouw. Toch zie ik sinds ik Freud tot mij nam dagelijks olifanten. Ik zie ze overal. Van die prachtige vederlichte giganten, niet grijs, maar kleurig als koraalvis. Over hun oppervlak vonken die fluorescerende kleurpatronen die je ook wel bij octopussen ziet, en ze zijn minstens even sierlijk. Met de majesteit van heteluchtballonnen bumpen ze zachtjes tegen de kristallen tranen van kroonluchters of de plint van de zoldering, terwijl ze hun slurf laten hangen, tastend naar de tafel waar mijn werkgevers eten, alsof ze niet met hun oren maar via hun reukorgaan de conversatie beluisteren en er zich op een of andere wijze mee voeden.

Verder, mijnheer, is het mij opgevallen dat in huisgezinnen waar men Derrida leest de olifanten er meestal stukken steviger uit de kluiten gewassen uitzien en ook talrijker voorkomen dan bij families waar de lectuur zich grotendeels beperkt tot de klassieken, wat mij sterk bevreemdt. Ik weet ook niet of deze observatie significant is, doch zelf mocht ik meemaken hoe onder het behappen van Le droit à la philosophie du point de vue cosmopolitique één van die intrigerende dieren ineens leegliep en door het open raam naar buiten schoot. Wekenlang heeft daar met enigszins ontstelde oogjes in de kastanjeboom gehangen, wapperend op de bries als een verdwaalde zakdoek. Het voorval blijft me met schuldgevoelens bespoken en heeft me tot nu toe van Lacan weerhouden.

Mijn broodheren schijnen deze schepselen overigens nooit op te merken, terwijl ook maar het geringste vermoeden van mijn aanwezigheid in de keuken buiten mijn diensturen meestal voor commotie zorgt. Bij collega's roepen mijn belevenissen hoogstens een beleefd stilzwijgen op. Zij hebben bij hun werkgevers nog nooit zoiets bespeurd. Zou ik de enige zijn? Heeft mijn lectuur een zesde zintuig gewekt? Of hebt u weet, mijnheer, van lezers die bij de buren, bij vrienden, wie weet in hun eigen woonst, achter de stores, boven de plantenbak, in een hoek van de douche of naast het bed, geruisloos als geesten, soms olifanten zien? Het zou me benieuwen dit te vernemen, aangezien ik me vaak eenzaam voel en graag met lotgenoten zou corresponderen. Acceptatie blijft belangrijk.

Met de meeste hoogachting,

François Fromage,

Butler.

    • Erwin Mortier