Lezers zijn betere artsen

Letterkunde komt tijdens medische opleidingen in Nederland nauwelijks aan bod. Ten onrechte, want er is voor artsen geen beter middel om te leren omgaan met hoop, verdriet en macht.

Is het nodig dat artsen kennisnemen van de grote literatuur? De zeventig auteurs van het inspirerende Ziektebeelden. Essays over literatuur en geneeskunde vinden duidelijk van wel. Geen beter middel om te leren hoe je als arts om moet gaan met almachtsgevoelens, hoop, verdriet, macht, de eerste dode patiënt tijdens de opleiding, onzekerheid, ambities, je rol als arts of huisbezoek.

Terecht signaleren de schrijvers van Ziektebeelden in Nederland een leemte. In tegenstelling tot de Lancet en British Medical Journal besteden de biomedische vakbladen hier te lande nauwelijks of geen aandacht aan de relatie tussen literatuur en geneeskunde. Vooral in Amerika is aandacht voor fictie een belangrijk onderdeel van de medische studie. Voorbeelden daarvan zijn te vinden in Teaching Literature and Medicine (2000) van Anne Hunsaker Hawkins. Met uitzondering van de Vrije Universiteit in Amsterdam, waar medisch studenten facultatief literatuur kunnen kiezen, komt het vak in de medische opleiding nauwelijks aan bod. En voor een behoorlijk overzicht moeten we nog steeds terugvallen op De zieke mens in de romanliteratuur (1964) van Simon Vestdijk, waarin hij de manier waarop mensen omgaan met ziekte koppelt aan beroemde personages uit de wereldliteratuur.

Ziektebeelden, door de auteurs bescheiden betiteld als een inleiding, gaat niet alleen over artsen, maar uiteraard ook over patiënten. Elke dokter wordt op den duur zelf patiënt, zoals de trieste geschiedenis leert van dokter Ragin uit `Zaal No. 6' van de Russische schrijver Anton Tsjechov (1860-1904). Over Tsjechov gaat het stimulerende essay `Eerst dokter en dan patiënt, of andersom?' van de gewezen hoogleraar interne geneeskunde J. van der Meer. Behalve schrijver was Tsjechov arts en vanaf zijn 26ste tuberculoselijder. Na een inleiding, waarin Van der Meer beschrijft hoe hij in 1956 na zijn tweede medische studiejaar 's zomers als verpleeghulp werkte in Santpoort tussen `stokstijve, immobiele, hyperactieve, depressieve en hallucinerende patiënten in gestichtskleren', en een biografische schets van Tsjechov, volgt een bespreking van `Zaal No. 6'.

Langs een pad vol brandnetels wordt de lezer naar een schurftig bijgebouw op de binnenplaats van een verwaarloosd ziekenhuis in een geïsoleerd provinciestadje geleid. In zaal 6 verblijft een vijftal psychiatrische patiënten in blauwe hospitaaljassen en met ouderwetse slaapmutsen achter getraliede vensters. De meest opvallende patiënt is de 33-jarige deurwaarder Gromov, die aan achtervolgingswaanzin lijdt.

Koude omslagen

Gromov beeldt zich in dat hij een oude vrouw en een jongen heeft vermoord en wordt onderworpen aan de klinische blik van dokter Ragin, die hem koude omslagen voorschrijft en hem verder niet hoeft te zien, `omdat je mensen die bezig waren hun verstand te verliezen, daarbij niet moest storen'.

Na twintig jaar in het ziekenhuis te hebben gewerkt begint de stoïcijnse dokter Ragin voor het eerst betrokkenheid te tonen bij deze patiënt. In talloze gesprekken vertelt Gromov de arts hoe hij vroeger door zijn vader is mishandeld. Ragin is niet meer bij hem weg te slaan, waardoor iedereen denkt dat de dokter gek is geworden. Ragin wordt met een vriend op vakantiereis gestuurd; bij terugkomst blijkt een jonge collega zijn plaats te hebben ingenomen. De spanning wordt Ragin te veel, hij kan zijn emoties niet meer bedwingen en wordt met een list zelf op zaal 6 opgenomen. Hij krijgt een te korte broek, een te lang hemd en een jak dat naar gerookte vis stinkt. Als Ragin probeert uit te breken, slaat de bewaker hem tot bloedens toe. De volgende dag krijgt hij een hartaanval. Hij begrijpt dat zijn einde is gekomen en denkt aan de miljoenen mensen die in onsterfelijkheid geloven.

De moraal luidt dat Ragin pas begrijpt hoe hij een betere dokter had kunnen zijn nadat hij zelf als patiënt is opgenomen. Daarom zou het goed zijn om van kandidaten voor de studie geneeskunde te eisen dat ze minstens enkele weken in een ziekenhuis opgenomen zijn geweest, voordat ze kunnen worden toegelaten, meent Van der Meer: `Tijdens de verdere opleiding zijn er dan verplichte terugkomdagen'. Scherts uiteraard. Vervolgens het advies: `Lees en herlees ``Zaal No. 6' voor het te laat is.' Overigens werd Tsjechov zelf in 1897 wegens een ernstige bloeding opgenomen in een Moskouse kliniek, op zaal 16.

Minder stellig over de vraag of het nodig is dat artsen zich verdiepen in de grote literatuur is de voormalig hoogleraar cardiologie A. J. Dunning, getuige zijn essay over Tolstojs De dood van Iwan Iljitsj. In deze schitterende novelle van amper 60 bladzijden beschrijft Tolstoj de doodsangst van een ernstige zieke rechter met een onduidelijke kwaal. Dunning betwijfelt – ten onrechte - of dokters het verhaal van Iwan Iljitsj moeten lezen: het is niet meer dan de tip van een liefhebber. Voor Dunning is dit verhaal van Tolstoj als het kijken in de spiegel – van onze eigen sterfelijkheid – en roept het de vraag op wat we met ons leven hebben gedaan. `In een doktersbestaan, onder de druk van het doen, wordt gevraagd dat even te laten en naar onszelf om te zien.'

De beste verhalende literatuur is vaak van Russische of joodse origine, maar in Ziektebeelden leidt dat lang niet altijd tot de beste beschouwingen. Zo blijken de essays over de parabel van de grootinquisiteur uit Dostojevski's De gebroeders Karamazov door de psychiater Jan Pols en over Kafka's `Een plattelandsdokter' door de huisarts J.D. Querido teleurstellend. Des te meer reden om die boeken zelf te lezen. De literaire zwaargewichten zitten onder de Duitse schrijvers, met als topper Thomas Mann, van wie Der Zauberberg en Doktor Faustus voorbeeldig worden doorgelicht. Terwijl de Utrechtse hoogleraar neurologie J. van Gijn uit Der Zauberberg het gebruik van de röntgenfoto naar voren haalt als metafoor voor het onzichtbare innerlijk – de zielenroerselen – staat de musicus Lucas Bunge in zijn essay over Doktor Faustus uitgebreid stil bij het verband tussen ziekte, het `demonische' en het genie van de kunstenaar. Hij ziet Adrian Leverkühn, de hoofdpersoon van dit boek, als het symbool van de verintellectualiseerde, vermoeide samenleving waarin ziekte de enige uitweg uit de cultuurcrisis lijkt te zijn en waarin alleen de weg van de parodie en ironie nog openstaat.

George Eliot

Een verhaal apart is de Britse literatuur met haar subtiele tekening van intermenselijke troebelen. Monica Soeting, redacteur bij uitgeverij Atlas, schittert met haar originele kijk op Middlemarch van de schrijfster George Eliot. De Amerikaanse hoogleraar psychiatrie Robert Coles van Harvard onderstreepte in 1998 in Academic Medicine nog het belang van dit boek voor toekomstige artsen. Soeting legt de nadruk op de gestrande ambities van de hoofdpersonen. Een type als de overambitieuze dokter Lydgate sluimert in elke arts. Lydgate heeft enkel oog voor de wetenschap en zijn praktijk. Dat niemand in het dorp zit te wachten op zijn vooruitstrevende medische plannen heeft hij niet door. Lydgate neemt de wijk naar Londen, waar hij rijke jichtpatiënten behandelt. Soetings essay heet `De droom van de dokter' – Lydgate's droom is nooit uitgekomen.

In `De kunst om niet te handelen' betoogt de huisarts Toine Lagro-Janssen, hoogleraar vrouwenstudies in Nijmegen, naar aanleiding van Pirandello's verhaal `Een stem', dat je als arts een patiënt soms beter niet kunt genezen. Pikant is dat Winnie Sorgdrager, de voormalig minister van justitie, naar aanleiding van de desastreus verlopen operatie van de horrelvoet van Hippolyte in Flauberts Madame Bovary ervoor pleit dat moderne artsen zo nodig van de geijkte behandeling moeten afwijken, waarbij ze hun vrees voor claims maar opzij moeten zetten. De arts Charles Bovary wordt jammerlijk gestraft voor zijn miskleun doordat zijn patiënten een andere dokter nemen. Sorgdrager verbaast zich erover hoeveel een arts, ook een medisch specialist in een ziekenhuis, in ons tijdsgewricht kan disfunctioneren voordat er gevolgen aan worden verbonden.

Het meest ontroert de schrijver Adriaan Morriën (1912-2002) over zijn eigen veroudering in `Ouders van glas – over ouderdom'. Dit essay, oorspronkelijk bedoeld als lezing voor het jaarcongres van het Nederlands Huisartsgenootschap in 1997, is gelardeerd met de twee gedichten `Eeuwige jeugd' en `Hoe het voelt om oud te zijn?' Het zijn mooie egodocumenten: `Soms, als je de hoek van een straat omslaat,/ het is winter, voel je zijn adem brutaler dan toen/ je nog jong was, en sterk, en een stootje kon geven'.

Ziektebeelden is een uitstekende opvolger van Vestdijks De zieke mens in de romanliteratuur. Het wachten is nu op een dito boek over literatuur en psychiatrie.

F. Meulenberg, J. van der Meer, A. K. Oderwald (red.): Ziektebeelden. Essays over literatuur en geneeskunde. Lemma, 730 blz. €49,50

    • Hans van der Ploeg