Klassieke stadions

`Men weet', schreef dr. K. Rijsdorp in 1956 in het blad Landelijk Contact, `hoe Willem van Nassau eens van zijn neef René van Châlon het prinsdom Oranje erfde, en dat aan dit gebied in Zuid Frankrijk ons vorstenhuis een deel van zijn naam dankt.' Wel, eerlijk gezegd wist ik dat niet, maar dat doet er niet toe. Leuker is dat Rijsdorp tijdens zijn bezoek aan deze omgeving stuitte op oude Romeinse sportaccommodaties.

`In Oranje staat een Romeins theater', schreef hij, zoals een kind zingt dat in Holland een huis staat. Wat Rijsdorp bijzonder fascineerde, was het – en ik word nu even a-historisch met mijn woordgebruik – multifunctionele karakter daarvan. `Wat wij in Oranje vinden is een cultuurcentrum. Er heeft daar een machtig gebouwencomplex bestaan ten behoeve van godsdienst, kunst en sport. Zo vinden we hier een monument van het ongedeelde, geïntegreerde leven en belijden van de klassieke oudheid.' Inderdaad kennen we sommige combinaties nu niet meer, maar anderen juist weer wel.

Zo schreef Rijsdorp: `We kunnen het ons heden ten dage niet meer voorstellen: kerk en stadion onder één dak.' Dat klopt, op incidenten na als EO-jongerendagen in de Amsterdam Arena of religieuze sessies in De Kuip, zoals met de Jehova's Getuigen en Billy Graham. Of is het stadion inmiddels zelf een moderne kerk geworden, met een ronde, stuiterende god als middelpunt?

Een andere constatering is tegenwoordig onjuist: `En we kunnen het ons nauwelijks voorstellen: concert of schouwburgbezoek gekoppeld aan het bezoek van sportwedstrijden.' Als zelfs een koninklijk echtpaar, dat hun achternaam gedeeltelijk te danken heeft aan de plek waar Rijsdorp bivakkeerde, met volksconcerten een bruiloft viert in een voetbalstadion, weten we voldoende. Wat dat betreft zijn we net zo ver als vroeger.

Die Romeinse stadions zijn geïnspireerd door de oude Grieken, constateerde Rijsdorp terecht. Alleen al het begrip `stadion': in de Helleense tijd stond dat voor de afstand van 192,27 meter waarover de korte-afstandloop werd gehouden. Die lengte trof Rijsdorp weer aan in het Romeinse gebouw. Maar de Romeinen hadden ook weer nieuwigheden toegevoegd, zoals thermen of badkamers.

En wat zagen de toeschouwers toen? In het jaar 67 voor Christus bijvoorbeeld klapten ze zich de handen stuk voor keizer Nero, die zeven olijfkransen won op de klassieke Spelen. Dat was onder meer toen hij als eerste eindige bij de tienspan. Dat hij twee keer uit de wagen viel, was bijzaak. Dit applaus was meer lijfsbehoud dan enthousiasme. Want één ding vergat Rijsdorp nog aan elkaar te koppelen: het stadion als sporttempel en als gevangenis c.q. poort naar de hel. In alle tijden is daar gretig gebruik van gemaakt. Misschien zelfs zo gretig dat er opeens een verband blijkt te bestaan tussen de landen met de grootste stadions en de minst democratische geschiedenissen.

jurryt@xs4all.nl