Het rode hart van Václav Havel

Dit weekeinde treedt Václav Havel af als president van Tsjechië. Timothy Garton Ash schetst de unieke betekenis van Havel voor Tsjechië en heel Midden-Europa.

Een glas bier wordt van een blankhouten tafel getild door een verrassend kleine, tengere hand. Om de lippen onder de walrussnor speelt even een lachje en een zware stem geeft een droog commentaar. Dan neemt hij nog een slok lekker Tsjechisch bier. Er is veel veranderd in de twintig jaar dat ik hem ken. Zijn leven: van dissident tot president. Zijn kleding: van spijkerbroek tot donker pak. Zijn gezondheid: van slecht tot nog slechter. De wereld: van communisme tot kapitalisme, van Warschaupact tot NAVO. Maar voor mij blijft dit het beeld van Václav Havel.

Zo was het toen ik hem voor eerst ontmoette, in de erker van zijn oude appartement hoog boven de Moldau, mager en afgetobd na bijna vier jaar als politiek gevangene van het communistische bewind. Zo was het toen we elkaar voor het laatst spraken, in een congrescentrum gebouwd voor communistische partijconferenties, maar nu in afwachting van een NAVO-top.

Destijds, in 1984, ging het droge commentaar over de agent van de geheime politie die hem volgde. Toen Havel naar een sauna ging, kwam de man, welgedaan en van middelbare leeftijd, haastig op hem af en zei: ,,Neem me niet kwalijk, meneer Havel, maar ik heb een pacemaker en het is voor mij niet goed om daarin te gaan. Zou u even willen wachten terwijl ik iemand anders bel?'' Nu ging over de vraag of zijn medepresidenten George W. Bush en Jacques Chirac na het diner zouden blijven voor de lofzang op de vrijheid een combinatie van Beethovens Ode an die Freude, de Marseillaise en John Lennons Power to the People die hij speciaal voor de NAVO-top en voor zijn eigen afscheid had laten maken.

De humor en de binnenpretjes zijn er nog altijd. Evenals de ernst in de langere bespiegeling die meestel op de anecdote volgt. In 1984 was hij ervan overtuigd, tegen de mening van het grootste deel van de wereld en de meeste Tsjechen in, dat het ijs van de Sovjet-onderdrukking aan het ontdooien was, aan de onderkant, door de ontgoocheling bij de bevolking en het vlammetje van de dissidentenbeweging Charta 77. Nu ging het over het belang dat Amerika en Europa vasthouden aan onze gezamenlijke waarden, ook als we ruziën over Irak.

Havel doet zijn Boheemse afkomst eer aan. Jarenlang vond hij niets leuker dan een nachtelijke avant-gardistische improvisatie theater of politiek, bij voorkeur allebei met mooie vrouwen, lekker bier en Becherovka, een Tsjechische liqueur. Maar Havel, opgegroeid in het gezin van een beschaafde rijke ontwikkelaar, is ook de beleefdste man die ik ken. In het restaurant van het congrescentrum wil hij het bier en de soep die we hebben genomen per se zelf betalen, al moet hij daarvoor geld lenen van zijn lijfwacht. Een verwarde jonge kelner neemt het geld, maar komt een paar minuten later terug en zegt: ,,Dit was van het huis.''

Van een vriend die met Havel gevangen heeft gezeten, hoorde ik dat de bewakers hem vanwege die uitzonderlijke beleefdheid en schijnbare schuchterheid het leven zuur maakten. Ze dachten hem te kunnen breken. Maar ze hadden zich vergist. Achter die zachte, vaak aarzelende buitenkant schuilt een grote geestelijke en lichamelijke kracht. Hij is de laatste jaren soms bijna overleden, aan chronische besmettingen aan de luchtwegen als gevolg van longkanker. Maar hij is er nog steeds, strijdend voor zijn droom van een menselijker wereld. Havel is de enige held van het anti-communistische verzet in post-communistisch Europa die tijdens de overgang van zijn land van het geopolitieke oosten naar het westen heel de tijd aan de top is gebleven. Nu hij het presidentschap vaarwel zegt, blader ik door mijn aantekenboekjes.

Mei 1986. Een politiewagen blokkeert de ingang van zijn boerderij in Noord-Bohemen. Ik rij door, verberg mijn auto en sluip door het vochtige dennenbos naar de achterkant van het huis. Ik klop op het raam. Heel even is hij verbaasd door mijn stiekeme komst, dan begroet hij me warm. Hij draagt een donkerbruin T-shirt met de tekst ,,De verleiding is PRACHTIG''. De verleiding is zijn toneelstuk dat zojuist in Wenen in première is gegaan. Maar hij kan het zelf niet zien. Als hij door het ijzeren gordijn naar het westen zou gaan, zou het regime hem er nooit meer inlaten. We praten de hele dag. Hij vertelt me dat hij een manuscript van zijn laatste essay in het bos heeft verstopt ,,een deel ligt daar nog altijd'' uit angst dat de politie zijn enige exemplaar in beslag zou nemen (computerbackups bestonden niet in het toenmalige Tsjecho-Slowakije). En dat hij eens door het bos was weggeslopen, drie dagen interviews voor Charta 77 had gedaan, en toen was teruggereden naar zijn eigen voordeur tot woede van de politie die het hek bewaakte. We praten over Kafka, Harold Pinter, de filosoof Jan Patocka en over de sadistische gevangenisdirecteur. ,,Hitler had het beter voor elkaar dan ik'', zei de directeur eens tegen Havel. ,,Die kon jullie allemaal naar de gaskamer sturen.'' Hij beschrijft de frustratie om zijn literaire productie te moeten concentreren in één wekelijkse brief uit de gevangenis aan zijn vrouw Olga. (Het boek Brieven aan Olga is het prachtige resultaat.) ,,Geen onderstrepingen!'' zei de directeur. ,,Geen aanhalingstekens! Geen buitenlandse woorden!''

Gevolg van de censuur was een stijl à la Aesopus, zodat hij tegenwoordig bij herlezing van de brieven zelf soms niet meer weet wat hij nu echt bedoelde. Maar hij weet wel zeker dat er politieke verandering op komst is van onderaf, van wat hij ,,de vijfde colonne van het sociaal bewustzijn'' noemt.

November 1989. De verandering is eindelijk gekomen. In het ondergrondse Toverlantaarn-theater, het hoofdkwartier van de `fluwelen revolutie', holt Havel rond als een figuur in een Charlie Chaplin-film. Zijn expressieve kleine handen tollen rond als propellers. Zijn loop heeft iets van de rennende schuifelgang van Chaplin. Om de tien seconden klampt iemand hem aan met een nieuw verzoek. Vaak trekt hij zich terug in de kleine kleedkamer van waaruit hij de revolutie leidt. Hij is tegelijk regisseur, toneelmeester en hoofdrolspeler. Toch vindt hij 's avonds laat tijd voor een glas bier en een grap in het café in de kelder achter in zijn flatgebouw.

Dagelijks hamert hij van een balkon op het Wenceslas-plein op een vreedzame verandering, tegen menigten van driehonderdduizend mensen. Opeens tooien studenten zich met buttons Havel President. Ik hoor dat die in Hongarije worden gemaakt. Beleefd, schuchter, vraagt Havel of hij er één mag hebben. Algauw scanderen de drommen op het plein Havel na Hrad Havel naar de Burcht van Praag, de residentie van de president.

,,Dat is bespottelijk,'' zegt Olga. Václav is het daarmee eens. Maar wat is het alternatief? Niet alleen zijn verbondenheid met de democratie, maar ook zijn instinct en zijn fascinatie met de politiek die hij tegelijkertijd verafschuwt, voeren hem van de boerderij naar de Burcht. Hij zegt te lijken op een literatuurrecensent die plotseling wordt gedwongen een roman te schrijven. Maar zijn de meeste critici niet in de verleiding om zelf eens een gooi te doen?

Intussen wordt er op het toneel van het Toverlantaarn-theater roze champagne gedronken en worden er V-tekens gemaakt, en er klinkt een slordige vertolking van de Tsjechische versie van We Shall Overcome. Dit is Havels moment van glorie. Het is ook het moment waarop hij in een versnelde film belandt die hij niet meer kan regisseren of beheersen. Hij wandelt met de geschiedenis, om het bijbels uit te drukken. Of neemt de geschiedenis een loopje met hem?

Februari 1990. Van een balkon dat uitkijkt over het Oude Stadsplein doet president Havel de bevolking van Praag verslag van zijn gesprekken in Washington met President George H. W. Bush. Hij zegt dat hij een boodschapper wil zijn tussen het Witte Huis en het Kremlin. Het is een bestudeerd informeel praatje, dat hij besluit met Ahoj, het Tsjechische equivalent van ciao of cheers.

In de Burcht laat hij me de afschuwelijke massieve leunstoelen zien die hem zijn nagelaten door zijn communistische voorganger als president, mijlenver van elkaar geplaatst het meubilair van broederlijke wedijver. Terwijl hij, nog steeds met een Chaplin-vaart, door een van de lange, fraaie gangen naar een persconferentie gaat, wijst hij me op een grote zware deur. Daarachter was de martelkamer van het kasteel, zegt hij. ,,Die gaan we voor onderhandelingen gebruiken.''

In dit eerste jaar van zijn presidentschap houdt hij een aantal van zijn grootste toespraken: doorwrochte bespiegelingen over de erfenis van het communisme, over de behoefte aan morele vernieuwing, en over Europa. Toch is al voelbaar dat de verheven vormelijkheid van de Burcht, de sfeer van een hof, de ontelbare problemen van de machtswisseling en de pure druk van het diplomatieke en politieke bedrijf je leven opgedeeld in afspraken van twintig minuten hem beginnen te overspoelen.

November 1994. Een bescheiden café aan de rivier, opnieuw een glas bier. Eén tafel gereserveerd voor de president, geen plichtplegingen of beveiliging. Hij praat nog altijd als de ingewijde buitenstaander, de schrijver op het toneel. Hij zegt me dat de gewone Tsjechen hem aanspreken ,,alsof ik daarboven hun spion'' ben. ,,Vertel hun wat wij vinden,'' zeggen de mensen. Maar de ironie wil dat nu ook zijn eigen positie in het geding is. Hun, dat is de regering van een andere Václav, Václav Klaus, een daadkrachtige en welsprekende econoom die Havel tijdens de fluwelen revolutie zelf naar voren heeft geschoven. Klaus staat voor zaken waarvan Havel gruwt: hij is een Thatcherist die stelt dat de vrije markt de oplossing voor alles is, terwijl de sociaal-democraat Havel hart voor het milieu heeft en diep begaan is met de rechtsstaat, sociale rechtvaardigheid en de menselijke prijs van de machtswisseling. Waar Havel beleefd is, is Klaus onbeschoft. En Klaus heeft nu de macht. Na de deling van de Tsjechische Republiek en Slowakije, waar Havel tegen was, werden de bevoegdheden van de president scherp beknot. Als in een stuk van Havel met een onwezenlijke, Pinter-achtige dreiging, wordt Václav I nu achtervolgd door zijn onbehouwen dubbelganger Václav II.

Op een merkwaardige, onverwachte en ongewilde manier is de president weer een dissident geworden, van zijn eigen regering. ,,Ik zeg wat ik vind,'' vertelt hij. Hij heeft een andere kijk op de positie die Tsjechië in Europa zou moeten innemen. Hij beklemtoont dat hij nog altijd intellectueel en politicus tegelijk kan zijn: ,,Toen schreef ik essays, nu schrijf ik toespraken.'' Ik ben sceptisch en denk dat zijn positie en de strijd met Klaus een drastische beperking vormen voor de mate waarin hij ,,in waarheid kan leven'', om een dissidentenuitdrukking uit zijn eigen koker te gebruiken. Hij praat ook over de behoefte aan een ,,bredere kijk'' in de Europese politiek, aan staatslieden die op langere termijn denken, zoals De Gaulle, Adenauer en Churchill. Zelf doet hij dat zeker - voor zijn eigen land en voor Europa. Wie kan daar verder nog aan tippen? Kohl? Mitterrand? Zoals de grote leiders van na 1945 te voorschijn kwamen uit de smeltkroes van de oorlog, zo komen de grote leiders van na 1989 te voorschijn uit de smeltkroes van het verzet en de revolutie tegen het communisme. Havel blijft eisen dat er iets wordt gedaan om een einde te maken aan de volkerenmoord in Bosnië, terwijl de West-Europese leiders kronkelen en draaien. Havel herinnert ons eraan dat Europa meer is dan tarieven, boterbergen en wisselkoersen. En Havel overtuigt de Amerikanen ervan dat Midden-Europa in de NAVO moet worden opgenomen.

November 2002. Havel ontvangt een NAVO-top in Praag. De kamer die vroeger werd gebruikt door Leonid Brezjnev, wordt toegewezen aan Navo-secretaris-generaal George Robertson. Vanuit het conferentiecentrum kijken we over de rivier uit op de verlichte Burcht, die indrukwekkend uittorent boven de mooiste stad van Midden-Europa. Maar vanavond staat er bovenop de Burcht ook een reusachtig, wijnrood neonhart, dat langzaam klopt. Dat hart is het symbool van Havel hij zet het naast zijn handtekening onder brieven aan vrienden en dit is zijn afscheidsgebaar. Sommige Tsjechen mompelen dat het kitsch is, en onwaardig, vooral omdat in Tsjechië een rood neonhart meestal de lichtreclame van een bordeel is. Maar Havel heeft daar lak aan. Tegen de avondhemel heeft het hart iets betoverends.

Hij is nu 66 en tobt met zijn gezondheid; hij is stijver, gezetter, trager, vormelijker dan de bezielende dissidente toneelschrijver uit 1984. De bromstem wordt gestoord door raspende hoestbuien. Hij heeft veel meegemaakt en dat is te zien.

,,Geen toespraken meer,'' roept hij op de vraag wat hij na zijn pensioen gaat doen. Maar de volgende dag houdt hij toch weer een opmerkelijke rede. Hij heeft het over de gezamenlijke waarden van Europa en Amerika; over de uitbreiding van de Euratlantische gemeenschap naar het oosten die moet doorgaan totdat alle nieuwe democratieën van Europa erbij horen; en over de spanning tussen de plicht om het kwaad te bestrijden en de waarde van de soevereiniteit. We moeten ,,zeer zorgvuldig afwegen'', zegt hij, of een oorlog tegen Irak mensen van een misdadig bewind zou bevrijden, zoals in Kosovo, en de mensheid tegen zijn wapens zou beschermen, of een voorbeeld zou zijn van het soort `broederhulp' dat Brezjnev Tsjecho-Slowakije gaf toen in 1968 Sovjet-troepen Praag binnenmarcheerden. De toon is nogal scherp voor de gastheer op een NAVO-top. De moralist en dissident zijn nog altijd te zien.

31 januari 2003. Dit weekend zal het rode hart boven de Burcht voorgoed worden uitgedaan. Havel zal waarschijnlijk naar zijn huis in de Algarve gaan, waar het klimaat beter voor zijn longen is, om bij te komen en na te denken. Veel Tsjechen hebben allang genoeg van zijn gemoraliseer. Dix ans, c'est assez, scandeerden Franse studenten in 1968 naar De Gaulle; en dertien jaar president is meer dan genoeg.

Grote mensen worden vaak ondankbaar aan de kant gezet. De toon van het afscheid in Praag is waardig, niet eerbiedig. Maar eens zullen de Tsjechen inzien wat een enorme dienst Havel hun land en Europa heeft bewezen. Zonder hem zouden ze niet die magische vreedzame overgang van tirannie naar vrijheid hebben gehad. Zonder hem zou de deling van Tsjecho-Slowakije misschien wel veel smeriger en pijnlijker zijn verlopen. Zonder hem zou heel Midden-Europa zich nu misschien niet koesteren in de ongekende veiligheid van de NAVO en het vooruitzicht lid van de Europese Unie te worden. Hij is de enige leidende figuur die tijdens de hele overgang op zijn post is gebleven. En al die tijd heeft hij niet altijd, maar toch vaak genoeg de kenmerkende, vorsende, onderzoekende stem van een groot politiek schrijver behouden.

Zodra de Tsjechen dat beseffen, zullen ze plannen voor zijn standbeeld gaan maken. Ik vertrouw erop dat hij te zien zal zijn met een kalm lachje, en met een glas bier in zijn tengere rechterhand.

Timothy Garton Ash is schrijver en fellow van het St. Anthony's College in Oxford.