Het is slecht en dat voelt goed

Zanger Nick Lowe verklaarde de term rock 'n' roll ooit als: `rock' is grappig en `roll' is sexy. Dat is een smakelijker uitleg dan de gangbare – rock 'n' roll als kind van de country en de blues – en hij geeft meteen aan wie de grondlegger ervan geweest moet zijn: Muddy Waters, de blueszanger uit Mississippi. Het was Waters die aan de blues ooit zijn lust en languissante humor toevoegde. Want blues mag dan bekend staan als de muziek van de zwarte landarbeider die er zijn hartenzeer in uitkermde, bij Muddy Waters waren het vaak de stormen van vleselijke passie die de groove bepaalden.

Waters, geboren in 1915, was al tijdens zijn leven méér dan een man: hij was een zinnebeeld van mannelijkheid. Dat beeld leeft sinds zijn dood in 1983 voort in zijn muziek. Niet voor niets worden liedjes als `Hoochie Coochie Man' en `Mannish Boy' graag gebruikt ter illustratie van reclames voor Viagra en spijkerbroeken – en `I'm A Man' nu ook bij een nieuwe stoere pindakaas-reclame.

Robert Gordon is de auteur van Can't Be Satisfied. The Life and Times of Muddy Waters, de eerste serieuze biografie over Waters. Gordon behandelt meer `het leven' dan `de tijd', dus over de maatschappelijke positie van zwarten en zwarte muzikanten in het midden van de vorige eeuw krijgen we slechts zijdelings te horen. Hij vertelt wel uitgebreid over de bezettingen van Muddy's band, en over zijn muzikale koers. Bijvoorbeeld hoe Waters het ritmische accent verlegde waardoor zijn stijl meer `pep' kreeg dan die van zijn collega's en voorgangers. Waters hielp het genre zo een stap voorwaarts, en zou daarvoor eeuwige roem krijgen. Want als er iets is dat opvalt in deze biografie is het Waters' vermogen om tegen modes en grillen in steeds een nieuw, gretig publiek te vinden. En dat meer dan dertig jaar: vanaf eind jaren veertig tot begin jaren tachtig.

Het leven van McKinley Morganfield alias Muddy Waters laat zich aanzien als één voortdurende overwinning op de omstandigheden. Hoe een analfabete, verweesde, zwarte jongen uit het arme Zuiden uitgroeide tot een ster die jaren aan de top zou blijven; die een voorbeeld zou worden voor eindeloos veel – witte – rockgitaristen (Keith Richards, Johnny Winter, Eric Clapton), en wiens liedje (`Rollin' Stone') de inspiratie zou geven voor niet alleen een beroemde groepsnaam (The Rolling Stones), maar ook die van een tijdschrift (Rolling Stone). Zijn roem had hij te danken aan zijn gitaarspel, zijn stem, zijn stoïcijnse uiterlijk en zijn interpretatie van de blues.

Zo introduceerde Waters het `stop-time ritme', dat voortstruikelt als een kreupel paard. Hij was bovendien als een van de eerste blueszangers gespitst op liedjes met een refrein. Het door Willie Dixon geschreven `Hoochie Coochie Man' bijvoorbeeld, dat in een pauze in zijn show door Waters werd ingestudeerd in de wc van de `Zanzibar' in Chicago. Ingeklemd tussen het zeepbakje en de handdoekmachine leerde Waters de akkoorden en de woorden van Dixon, om het vervolgens drie keer achter elkaar uit te voeren voor een uitgelaten publiek. `Hoochie Coochie Man' werd Waters' eerste grote hit. Hij kocht van de opbrengsten een nieuw huis en Leonard Chess, de directeur van zijn platenmaatschappij, gaf hem een nieuwe auto.

Waters' professionele muzikale carrière begon in 1943, toen hij naar Chicago verhuisde. Daar werkte hij in een autofabriek en trad, samen met andere muzikanten, alle avonden op in bars zonder podium, in nachtclubs en op illegale feestjes bij mensen thuis. In de jaren daarvoor, op de plantage van Stovall in de Mississippi Delta, was hij muzikaal gevormd. Geïnspireerd door bekende namen als Son House en Blind Lemon Jefferson, had hij geleerd om slide-gitaar te spelen, en wist hij bestaande nummers naar zijn hand te zetten. Liedjes konden ook bij toeval ontstaan. De single `I Feel Like Going Home', die in 1948 het begin van zijn roem inluidde, was een bewerking van de traditional `Country Blues', en gebaseerd op een vergissing: het dubbelzinnige `Feel like blowing my horn' was door Waters verstaan als `Feel like going home'.

Rond 1954 was Waters in Chicago en de rest van de noordelijke staten een ster. Gitaar spelen liet hij steeds vaker over aan Jimmy Rogers. Waters was nu zanger, sekssymbool en bandleider. Zijn bijnaam was `dreamy eyes'. Maar net als blues tien jaar eerder de swing-muziek had weggespeeld, zo werd blues eind jaren vijftig zelf bedreigd door rock 'n' roll. De gretige vraag naar Muddy Waters nam af. Maar Waters reageerde laconiek. Hij vergat even de eindeloze tournees, die hem tien maanden per jaar van huis hielden, en hield zich vooral op in de kleine blues-clubs van Chicago.

Het `establishment' was tevreden met de verminderde belangstelling voor Muddy Waters die in hun ogen een bedreiging was voor de openbare zedelijkheid. De blues gold als `obsceen' en Muddy als een wolf die kuddes geitjes verschalkte. Inderdaad zong Waters, meer en minder openhartig, vooral over seks: over seks met andermans vrouw, seks met andermans vriendinnetje. Over seks en problemen, kortom. Maar volgens Robert Gordon moeten we de seks in Waters' teksten opvatten als synoniem voor vrijheid. Muddy zou er het na-oorlogse gevoel van opwinding en ongelimiteerde mogelijkheden mee verwoorden.

Maar ook rock 'n' roll kon Muddy Waters niet klein krijgen – met een beetje hulp van het lot; het vliegtuigongeluk van Buddy Holly, de dienstplicht van Elvis en het schandaal rond Jerry Lee Lewis (huwde een 13-jarig nichtje). Begin jaren zestig was Waters weer terug aan de top en werd hij zelfs beschouwd als aartsvader van de `British Invasion': groepen als Rolling Stones, Cream en Spencer Davis Group die Muddy's blues bestudeerden en imiteerden.

Waters wordt door Gordon beschreven als een beminnelijke, loyale man. Ook in de begintijd van zijn roem, begin jaren vijftig, was hij ruimhartig genoeg om andere zangers (zoals Howlin' Wolf) een plaats te geven in zijn shows en voor te stellen aan zijn platenmaatschappij. Als het zo uit kwam bood hij ze een logeerplaats in het souterrain van zijn huis. Daar woonden Waters, zijn – derde – echtgenote Geneva en haar twee kinderen uit een eerder huwelijk, en een aantal muzikanten uit zijn band. Oefenen gebeurde in de kelder. Daar was Muddy zelf bij voorkeur niet bij. Terwijl zijn bandleden de liedjes doornamen, stampte Waters boven op de grond zijn aanwijzingen door.

Maar het grootste deel van de drie decennia waren Muddy Waters en zijn band op tournee. Dat waren hachelijke avonturen: hoteleigenaars die geen zwarte gasten duldden (in de zuidelijke staten), te veel passagiers in een auto, lange autoritten tussen optredens, te veel alcohol (de band stond op zeker moment bekend als de Muddy Waters Drunken Ass Band). En dan waren er de vrouwen, die volgens Gordon voor Muddy eerder een kwestie waren van kwantiteit dan kwaliteit. Dat hij behalve het gezin met echtgenote Geneva nog meer huishoudens runde, was haar bekend. Geneva hield precies bij waar een kind van haar man werd geboren.

Met al die vrouwen en kinderen maakte Muddy Waters tragische dingen mee. Deze of gene ging `down the poppy path', noemt Gordon dat verhullend. Het betekent dat de betreffende persoon aan heroïne verslaafd raakte (en als het om een vrouw ging meestal ook in de prostitiutie terechtkwam). Maar Gordon geeft de lezer niet veel inzicht in Muddy's reacties en emoties in dit soort situaties. We naderen de mens Muddy Waters nooit heel dicht. Maar misschien moeten we het leed onder een grote noemer zien; die van de `blues'. Zoals Gordon zegt: blues is `feeling good about feeling bad'. En daar was Muddy meester in.

Robert Gordon: Can't Be Satisfied. The Life and Times of Muddy Waters. Little, Brown and Company. 408 blz. €33,20

    • Hester Carvalho