Festival gefixeerd op debuutfilms

Met het einde van de competitie van het 31ste International Film Festival Rotterdam (IFFR) in zicht kan geconstateerd worden dat de gemiddelde kwaliteit gestegen is. Voor het eerst waren 4 van de 14 deelnemende films vooraf al verzekerd van bioscoopdistributie, en daar kunnen nog wel eens een paar bij komen.

De competitie is bedoeld voor eerste en tweede films van beginnende regisseurs; iets dat de laatste tijd op veel festivals een norm is geworden voor bepaalde prijzen, alsof makers van derde, vierde en zevende films geen aanmoediging meer zouden behoeven. Belangrijker lijkt voor een festival als het Rotterdamse de vraag of een film vernieuwend, verfrissend, alternatief of onafhankelijk is. Tijdens de zitting van het Filmparlement afgelopen zondag opperde IFFR nog de nieuwe term `visionaire cinema'. Wat men zich daar ook allemaal bij voorstelt, twee competitiefilms zijn onbetwistbaar visionair: de documentaire compilatie Bodysong van Simon Pummell en de deels ook uit archiefbeelden samengestelde proletarisch-historische musical De arm van Jezus van André van der Hout. Naast deze twee Tiger-favorieten zijn er meer goede, uit conventioneler hout gesneden films in de competitie.

Veel genoemd als mogelijke winnaars worden de op een sterk scenario gebaseerde, tienerexistentialisme verbeeldende Nói Albinoi van Dagur Kari (IJsland); de op een toneelstuk gebaseerde, ambachtelijk voortreffelijke vrouwendramatiek van Marion Bridge, geregisseerd door Wiebke von Carolsfeld (Canada); en de loodzware, rigide, maar af en toe wonderschone psychologisch lege Extraño van Santiago Lozano (Argentinië). Voor verrassingen zouden nog de twee realistische films With Love, Lilya van Larisa Sadilova (Rusland) en Welcome to Destination Shanghai van Andrew Cheng (China) kunnen zorgen. De relatie- en seksfilms The Principles of Lust van Penny Woolcock (Engeland) en Jealousy Is My Middle Name van Park Chan-ok (Zuid-Korea) kennen verdedigers, maar zijn geen zeer waarschijnlijke winnaars.

De oude Koreaanse grootmeester Im Kwon-taek wordt in Rotterdam geëerd door de selectie van zijn laatste productie Chihwaseon als slotfilm. Vorig jaar werd Im in Cannes bekroond als beste regisseur. Chihwaseon is een verre van visionaire, zeer traditionele kostuumfilm over de 19de eeuwse schilder Ohwon Jang-seung: kwalitatief hoogwaardig, maar vernieuwend noch bijzonder onderhoudend. Merkwaardig is vooral de bekendmaking van de slotfilm drie dagen tevoren, zonder dat de film in de catalogus is opgenomen. Het lijkt een noodgreep; wat men ook van de openingsfilm Far From Heaven van Todd Haynes en van Chihwaseon vindt, het zou de eer van Rotterdam te na moeten zijn om te openen met een film uit de competitie van Venetië en te sluiten met een film uit de competitie van Cannes. Vertoon dan liever nog een keer een van de winnaars van een Tiger Award aan het publiek van de slotavond.

    • Hans Beerekamp