Er ging een verfwereld open

Schilder Ronald Zuurmond omschrijft zijn kunst als een streng soort barok. ,,Het kan nog zo dartel zijn, alles staat op zijn plek.''

In het atelier van Ronald Zuurmond (38) hangt een net voltooid schilderij. Op het eerste gezicht lijkt het grote, vierkante vlak, waar de verf modderig op ligt, een oerwoud van donkere tonen waarin de ogen geen houvast vinden. Maar door het amorfe zwart doemen al gauw kleuren en lichtere segmenten op die de suggestie geven van verre verschieten. Net als de waterpartijen die de impressionist Claude Monet aan het eind van zijn leven schilderde, sleurt het doek de blik langzaam mee in onpeilbare dieptes. Maar Ronald Zuurmond schilderde geen water, geen donkere, belommerde vijvers. Hij kijkt naar het doek en zegt: ,,Onder dit schilderij zat een stilleven waar ik maanden aan heb gewerkt en dat maar niet wilde lukken. Ik heb het zoveel mogelijk afgekrabd en er toen omber op aangebracht, in verschillende tinten. Die verf pakte niet overal, er schemerden sporen van de onderlagen doorheen waardoor er ruimte ontstond in het vlak. Na de zware storm van eind oktober had ik foto's gemaakt van omgewaaide bomen en in die ruimte van het schilderij kon ik me ineens de wortels van die door de wind gevelde bomen voorstellen. Ze zaten er eigenlijk al in, in al die kleursporen. Als ik zo'n vlak als dit zou willen schilderen, zou ik niet weten hoe ik dat aan moest pakken. Ik ben geen kunstenaar die een duidelijk vooropgezet idee heeft en van daaruit naar een beeld werkt. Ik heb veel beelden in m'n kop, maar ik heb de vlakken nog niet waarin ik ze kan onderbrengen. Die vlakken, die achtergronden, die ruimtes kunnen alleen maar ontstaan door al werkend mijn kansen te grijpen.''

Naast het nieuwe schilderij hangt hij, ter vergelijking, twee kleine, vroege werken uit 1992. Het zijn geabstraheerde weergaves van een brug over het water, in schrale, blauwig-grijze tinten. Zuurmond: ,,Ik had ze nageschilderd van een fotootje. Ze hebben iets onbeholpens, toch bevallen ze me nog wel. Er zat al dat ruimtelijke in, die doorkijkjes. Maar ik zag niet hoe ik daarop verder kon, ik deed ze en stond dan met lege handen. Ik had in die tijd maar een paar kleuren en geen geld om verf te kopen. Een jaar of zeven geleden kreeg ik een werkbeurs, dat heeft me enorm geholpen. Ik hoefde niet meer na te denken wat die verf kostte, ik kon ineens materiaal kopen en van alles uitproberen. Er ging een verfwereld voor me open.

,,Die vroege werkjes zijn nog met de kwast geschilderd, dat doe ik allang niet meer. Ik heb nooit het gevoel dat ik aan het schilderen ben, het is meer boetseren en bouwen. Ik werk met van alles, met mijn handen, met paletmessen, gutsen en stukadoorrakels. Ik knijp de verf direct uit de tube op het doek en dan ga ik erin krassen, kerven, kneden en peuren. Ik heb een hekel aan tuinen en ik moet er niet aan denken een tuin te hebben, maar dit is dan mijn vorm van tuinieren – dat wroeten in de verf.''

Sinaasappels

Ronald Zuurmond begon zo'n vijf jaar geleden naam te maken met zijn lege, geheimzinnige landschappen waar de verf, in donkere aardetinten, ook al dik en rul op was gesmeerd. In die doeken balanceerde hij vaak op het randje van de abstractie. Op de tentoonstelling van zijn recente schilderijen in het Fries Museum in Leeuwarden hangen voornamelijk stillevens. Ook in die schilderijen is vaak een bijna landschappelijke ruimte te ontwaren, maar in die ruimte `drijven', zoals hij het zelf noemt, nu allerlei voorwerpen en groeisels zoals twee sinaasappels in een fruitmandje van staaldraad, de bladeren en kronkelende luchtwortels van een vingerplant, een bananenschil of een niervormig jaren vijftig-tafeltje.

Op mijn vraag waarom hij van thema veranderde en stillevens ging schilderen, legt hij bedachtzaam uit hoe hij op een gegeven moment het gevoel kreeg dat hij clichés van zijn eigen landschappen aan het schilderen was. ,,Stillevens boden me de mogelijkheid om anders met het vlak om te gaan. Bij landschappen gaat het van links naar rechts en van voor naar achter, bij stillevens gaat 't ook op en neer en diagonaal en er kruipen aan de randen dingen in het schilderij. Het stilleven hoort tot de traditionele schilderthema's, je kunt zien hoe het vroeger werd weergegeven. Ik kijk veel plaatjes en ik maak studies naar ander werk. Het interesseert me hoe een zeventiende-eeuwse schilder als Willem Claesz. Heda een roemer in het beeld plaatste en hoe streng dat beeld geordend was. Die strengheid heb ik niet, bij mij zweeft alles van boven tot onder in het vlak.

,,Toen ik bezig was een uitweg te zoeken uit die landschappen, kreeg ik een folder van de Wibra en daarin zag ik een plaatje van een vliegengordijn met van die lange plastic stroken in allerlei kleuren. Ik kreeg het idee om al die kleurbanen zo uit de tube op een wit fond te schilderen, zodat de handeling meteen het beeld was, pats, boem. Een tijdje later begon ik aan de stillevens en toen zag ik dat die vliegengordijnen een andere wending konden nemen: er kwamen gestreepte en gestippelde achtergronden uit voort, het bleek een manier om het vlak te doorbreken. Later ging ik het vlak te lijf met rasters die ik in de verf kerfde, of met dunne draden van uitgeplozen henneptouw die ik er als een voile overheen legde. Die draden laten het vlak onverlet, maar ze doorbreken het toch. Dat was nodig, want het lukte me te goed om mooie, gevoelige achtergronden te maken.

,,Ik had toen ik nog op de academie zat, eens een boek over Munch gelezen. Hij schilderde een portret van een meisje met een gestreepte overgooier. Die strepen zijn heel plat geschilderd en daarboven zat dat gevoelige gezicht. Die botheid en die gevoeligheid stonden haaks op elkaar. Dat fascineerde me en ineens, met die rasters, kon ik het gebruiken.''

Het eerste stilleven-achtige doek dat hij schilderde was Venster (1996). Het vlak, een bruin-zwarte smurrie waarin de blik verdwaalt, herinnert nog aan de landschappen, maar in die smurrie komen terloops geschilderde planten naar voren, bruine takken bezaaid met gifgroene spikkels, blauwige vingerplantbladeren en bloemen op ijle stengels. Die bloemen – het lijken verregende pioenrozen – maakte hij door oude, ineengefrommelde verflappen op het doek te plakken en vervolgens lichtroze te schilderen. Hij vertelt dat dit schilderij hem deed denken aan de vensterbank bij zijn oma in Scheveningen, waar hij als kind vaak door het raam tuurde. ,,Als je door zo'n venster kijkt, zie je niet alleen de bomen, planten en voorwerpen, maar je kijkt ook langs de dingen heen, naar de ongedefinieerde ruimte erachter. Die wilde ik in dit schilderij, dat eigenlijk nog een landschap is, benadrukken.''

Tijdens het schilderen wordt hij vaker overvallen door herinneringen uit zijn jeugd: ,,Terwijl ik bezig was aan dat vliegengordijn herinnerde ik me dat in het café waar mijn vader vroeger barkeeper was ook zo'n gordijn hing en ik zag hem ineens weer met zijn vetkuif achter die bar staan. Die vingerplant en dat niertafeltje uit de stillevens stonden vroeger bij ons thuis. Maar zo'n herinnering is niet de motor om aan de slag te gaan. Munch zei: `Ik schilder wat ik me herinner'. Dat doe ik niet. Ik schilder door tot ik me iets herinner. Terwijl ik eindeloos aan zo'n vlak werk, komen er soms beelden van vroeger in me op die ik in dat vlak kan projecteren.''

De tentoonstelling van Ronald Zuurmond in het Fries Museum heet All about nothing. Die titel, zegt hij, is relativerend, maar ook dubbelzinnig. ,,Er is nu die hele discussie over normen en waarden. In mijn ogen kan de kunst daar geen enkele bijdrage aan leveren. Ik schilder niksige dingen: een vingerplant, of een gedroogde bananenschil, is niks. De vraag is: kun je met zulke dingen toch een serieus schilderij maken? Ik denk dus van wel. Sterker nog: juist in die alledaagse en niksige onderwerpen, zit de hele wereld.''

Niksige dingen

Verschillende van de `niksige dingen' die in zijn schilderijen figureren, blijken terug te vinden in het atelier van Zuurmond, zoals een katholiek beeldje van een knielende neger, of een klein bruin maskertje dat in zijn schilderijen de vorm van een dwaallichtje kreeg. Het atelier is een immense, gymzaalachtige ruimte op het terrein van een inrichting voor geestelijke gehandicapten aan de rand van Tilburg. Er heerst een onverbiddelijke orde: ,,Ik heb 't liefst alles op z'n plek, daar geniet ik van.'' Op witte vellen papier op de vloer ligt een serie verrotte en uitgedroogde zwarte bananenschillen esthetisch gerangschikt. Talloze malen heeft hij ze geschilderd, als fragiel uitwaaierende zwarte vormen. Zuurmond: ,,Ik zag er ineens kalligrafische tekens in. Dat had ik nooit gedacht van die schillen. Ik hoop dat mensen die mijn werk hebben gezien anders naar bananenschillen gaan kijken. Dat ze de werkelijkheid anders waarnemen.''

Op een schap in de muur staat, naast een zorgvuldig uitgestald plastic patatbestekje, een verfkwast die vastgelijmd zit aan de scherf van een kopje. Ik herken de kwast met de knalrode steel van het doek Manifesto (1999) waarop hij met het scheefpotige niertafeltje en de vingerplant een stilleven vormt. Zuurmond: ,,Die kwast, in dat stukgevallen kopje, vond ik op straat. Het is een kleine Oldenburg. Terwijl ik aan het schilderij werkte, draaide ik een plaat van Roxy Music. Een van de nummers heet Manifesto en van het een kwam het ander. Een manifest is een beginselverklaring. Ik dacht: dit doek, met die kwast, dat is mijn beginselverklaring.''

Hij aarzelt na mijn vraag wie zijn voorbeelden zijn in de schilderkunst. ,,Ik houd van de schilderijen van expressionisten als Munch en Nolde, maar ook van Matisse, Picasso, de Kooning, noem ze maar op. Ik vind Kiefer geweldig, om de enorme rotzooi die hij ervan maakt. En dat zware Duitse dat hij in zijn werk vlecht. Het is de verstilde opera, daar kan ik helemaal in wegduiken. Maar ik ben ook een bewonderaar van Morandi: zijn kunst is zo geruisloos en zo droog geschilderd. Het spreekt me aan dat Morandi in zijn hele leven maar één keer buiten Italië is geweest. Nee, ik ga ook niet graag op reis. Ik denk dat ik met betrekking tot mijn werk wel een soort kluizenaar ben: ik houd ervan me op te sluiten en mijn eigen dingen te doen. Ik heb de neiging me terug te trekken en afzijdig te houden.''

De discussie over het al of niet dood zijn van de schilderkunst doet hem niets. ,,Ik ben voor goede kunst, of dat nou videokunst of schilderkunst is. Ze zeggen: de koning is dood, leve de koning. Dus als ik hoor: de schilderkunst is dood, dan maak ik er nog een schilderij bij. Van de video's, of de foto's die nu zo'n hype zijn, zullen er sommige de tijd doorstaan en andere verdwijnen. Zo is het ook met de schilderkunst. Ik ben misschien traditioneel in het medium waarin ik werk, maar een schilderij kan me niet vreemd genoeg zijn. De tijd dat een schilderij abstract of figuratief moest zijn, is gelukkig voorbij.''

Als Zuurmond over zijn schilderijen praat, valt steeds opnieuw het woord `ruimte'. Hij heeft het over `de ruimte van het vlak waar de dingen zich op een speelse manier in ordenen' en hij verklaart waarom hij de vormen nooit dichtschildert en alleen de contouren aangeeft. In het atelier staat een wankele toren, in elkaar getimmerd van houten, deels zwart geverfde balkjes. Hij maakt me erop attent en zegt: ,,Een maand geleden heb ik een dochter gekregen. Voor de bevalling zei mijn vriendin: het bed moet omhoog. Dus maakte ik poten onder het bed. Toen ik dat gedaan had, keek ze me meewarig aan en zei: we kunnen niet het risico nemen dat het bed tijdens de bevalling in elkaar dondert. Er kunnen dan enorme oerkrachten loskomen. Toen heb ik die balkjes meegenomen en hier gestapeld. Die constructie is belangrijk voor me: de balkjes vormen een geraamte, er zit ruimte in, net als tussen de poten van een stoel, of de spijlen van zo'n fruitschaaltje. Ik zoek altijd naar de ruimte in de dingen, het is niet alleen het ding an sich, maar ook wat er tussendoor gebeurt. Met massieve vormen kan ik weinig, daarom schilder ik alleen de contouren van de dingen en vul ik ze nooit in.''

Door de laconieke titels van sommige schilderijen, de bizarre figuratie, het kleurgebruik – sommige doeken zijn overdekt met frivole kleurspikkels – en ook door de manier waarop hij allerlei afgedankte rommel als touwtjes en draadjes in zijn schilderijen verwerkt, doen de stillevens van Zuurmond vaak humoristisch aan. Als ik dat zeg, corrigeert hij me meteen: ,,Dat is wat je er zelf van maakt. Ik vind dat best, maar ik ben met schilderen bezig, niet met humor. Als ik mijn schilderijen al een titel geef, dan zijn het kwinkslagen, dat is waar. Bij een serieuze titel haak ik af, dan wordt het uitleggerig. Een titel moet een sleutel zijn en niet de sleutel. Ik zie mijn kunst als een streng soort barok: het kan nog zo dartel zijn, maar alles staat op zijn plek. De laatste tijd probeer ik schilderijen te maken waaruit de voorwerpen verdwenen zijn zonder dat het helemaal abstract wordt. Het naar buiten kijken in de ruimte is meer een naar binnen kijken geworden. De wereld van het stille leven wordt door de afwezigheid van objecten nog stiller.'' Hij pakt een Japans fotoboek en toont een foto van een vlieger in de vorm van een reeks uitbundig gekleurde karpers die door de felblauwe lucht zwieren. ,,Zo zou ik willen schilderen. Dit bevalt me, het hoeft niet zo zwaar te zijn.''

Geuzennaam

Vijf jaar geleden werden Ronald Zuurmond en de Tilburgse kunstenaars Guido Geelen, Marc Mulders, Reinoud van Vught en Paul van Dongen door een criticus aangeduid als `de Tilburgse School'. Sindsdien gebruiken zij dit als een geuzennaam: ,,We vonden het een goed idee. We zijn allemaal rond de veertig, we hebben onze eigen manier van werken gevonden, dus we hoeven elkaars stijlen niet te imiteren. Als je ziet hoe in Amsterdam beeldend kunstenaars na de academie bij elkaar hokken en neuzelen in elkaars werk – dat hebben wij niet nodig. Behalve dat we in Tilburg wonen, hebben we een liefde gemeen voor de wereld om ons heen en dat zetten we om in beeld. Er is een verwantschap in onze figuratie en ook in de manier waarop we ons in oude meesters verdiepen en daar inspiratie in vinden. We zoeken elkaar vaak op, we discussiëren over ons werk en sinds kort exposeren we ook samen.''

De vijf kunstenaars hebben – met uitzondering van Paul van Dongen – ook gemeen dat ze afzien van een vaste galerie. Ronald Zuurmond verkocht bij zijn eerste solotentoonstelling, in 1997 in de Amsterdamse galerie De Praktijk, in één klap alle schilderijen. Toch besloot ook hij om de band met zijn galerie te verbreken. ,,Ja, we verkopen ons werk zelf. Ik ben het leuk gaan vinden om mijn kopers te leren kennen. Er zijn zoveel aardige mensen van wie het interessant is de mening te horen en ze komen graag naar mijn atelier. Het blijkt dat een kunstenaar heel goed zichzelf kan vertegenwoordigen. Waarom zou je het dan door een galerie laten doen?''

`All about nothing', recente schilderijen van Ronald Zuurmond, Fries Museum, Leeuwarden. T/m 9 mrt. De Tilburgse School t/m 28 febr. bij Delta Lloyd, Mondriaantoren, Amstelplein 6, Amsterdam. Inl: 026-4009440. Faxx, podium voor hedendaagse kunst, Dinantstraat 1, Tilburg: De Tilburgse School, 7 febr. t/m 21 april. Di t/m vrij 10-17 u, za en zo 13-17 u.

`Dit is mijn vorm van tuinieren – dat wroeten in de verf'

`Een schilderij hoeft niet zwaar te zijn'

    • Lien Heyting