Eerst Ajax, daarna het land

Toen Feyenoord in 1999 op de Coolsingel vierde dat het voetbalkampioen van Nederland was geworden, greep de rechtsback van het elftal, Ulrich van Gobbel, de microfoon om de supporters een van hun favoriete leuzen in achtvoud te souffleren: `Wie niet springt, die is een jood'. De supporters sprongen. Van Gobbels gedrag werd onderzocht door het openbaar ministerie, maar dat zag geen reden hem te vervolgen.

Het was de eerste keer dat een Nederlandse profvoetballer in het openbaar een antisemitische leus scandeerde, vermoedt de Engelse journalist Simon Kuper in zijn nieuwe boek Ajax, the Dutch, the War. Hoewel hij signaleert dat de identificatie van Ajax als `jodenclub' ook bij de Amsterdamse supporters leeft (een deel van de Amsterdam Arena golft op en neer bij `Wie niet springt, die is geen jood'), ziet hij het als een teken dat het taboe op antisemitisme in Nederland steeds zwakker wordt.

Dat werd Kuper pijnlijk duidelijk toen hij drie jaar geleden onderzoek deed voor een speciaal nummer van voetbaltijdschrift Hard Gras dat onder de titel Ajax, de joden, Nederland de kern vormde voor het nu verschenen Engelse boek. Kupers toon werd in Hard Gras bepaald door een verwante, schokkende ontdekking: in tegenstelling tot wat Kuper als in Leiden wonend kind van joodse afkomst altijd had geloofd, was Nederland helemaal niet collectief `goed' geweest in de oorlog. Kupers woede over het halfhartige gedrag van de Nederlanders (eerst doen of er weinig aan de hand is, later pochen over minimale verzetsdaden) was constant voelbaar, bijvoorbeeld in een passage over een `Verboden voor joden'-bord dat Kuper aantrof in het archief van Sparta. `Het zou nog eens van pas kunnen komen', sneerde de auteur.

Dat leverde hem kritiek op. Een Nederlandse vriendin noemde zijn betoog `belachelijk naïef', vertelt hij in de inleiding van Ajax, the Dutch, the War. De vriendin overdreef, schrijft Kuper, maar de toon van het Engelse boek is afstandelijker dan die van de Nederlandse voorloper. Die grotere afstandelijkheid uit zich ook in de internationale context waarin hij het Nederlandse verhaal nu heeft geplaatst. In het hoofdstuk `A Friendly Salute: International Football in the 1930s' schrijft Kuper over een wedstrijd tussen Duitsland en Frankrijk in 1933, die in een uitgesproken vriendelijke sfeer verliep. Het Duitse blad Fußball betreurde het alleen dat een boven het stadion cirkelend reclamevliegtuig het spelen van het Franse volkslied verstoorde, `want je hoort niet iedere dag de Marseillaise terwijl de Reichs- en hakenkruisvlaggen in de wind wapperen'. Zeker in de beginjaren gebruikten de nazi's sport vooral `om vrienden te maken', stelt Kuper.

Ook was er weinig vijandschap te bespeuren bij de interland Duitsland-Engeland van 12 mei 1938. The Manchester Guardian meldde: `Het publiek nam het speelveld in bezit, beide teams uitgebreid toejuichend wegens hun prachtige spel'. Voorafgaand aan de wedstrijd had het Engelse elftal de Hitlergroet gebracht: betrokkenen beriepen zich later op de gespannen atmosfeer die het onmogelijk maakte om zich daaraan te onttrekken. Kuper laat zien dat die sfeer eigenlijk niet bestond. Zo staan er veel meer interessante details in het boek, zoals de moeizame relatie tussen de nazi's en de voetbalsport, die werd veroorzaakt door de relatieve onvoorspelbaarheid van het balspel.

Kuper (1969) werd in 1994 beroemd met Football against the enemy over de (on-)sportieve animositeit tussen Nederland en Duitsland, waarmee hij een uitzonderlijke gave toonde sportjournalistiek en -geschiedenis te verbinden. Ook in zijn nieuwe boek slaagt hij erin die gebieden samen te brengen in intelligente observaties en veelzeggende anekdotes. Indrukwekkend zijn de (ook al in het Nederlandse boek opgenomen) mooi geschreven geschiedenissen van de vermoorde Ajax-speler Eddy Hamel en de bijna-gefusilleerde Spartaan Meijer Stad, en de nieuwe verhalen over de Fransman Heisserer die weigerde mét zijn streek Elzas-Lotharingen door Duitsland geannexeerd te worden, en de vriendelijke Duitser Sing bij wie toch steeds weer de frustratie opspeelde dat de oorlog zijn voelballoopbaan had gedwarsboomd.

De voornaamste verschillen met de eerste versie van Kupers boek zitten dus in de toon en de `internationale' hoofdstukken. Maar ook ten aanzien van het centrale thema (Ajax en het jodendom) is hij nieuwe dingen te weten gekomen. Drie jaar geleden wond hij zich op over de zwijgzaamheid van Ajax over de joodse identiteit van de club en over de oorlog (`In ons archief is voor u niets interessants te vinden'), die hij vooral weet aan de angst om de antisemitische spreekkoren te voeden.

Mede door stukken in Het Parool en NRC Handelsblad weet Kuper inmiddels beter wat de verborgen oorlogsgeschiedenis van Ajax inhield. Die blijkt zowel meer goede als foute elementen te bevatten. Er blijken veel meer joodse Ajacieden verdwenen te zijn, maar daar werd wél tegen geprotesteerd. In 1945 werd een naar verhouding radicale zuivering doorgevoerd, maar in de jaren daarna werden veel ex-collaborateurs toch weer welkom geheten.

Kuper verklaart die dubbelheid door te wijzen op de speciale rol die een voetbalclub als Ajax in het verzuilde Nederland had: een wereld op zich waarbij de solidariteit met de club vaak groter was dan die met het land. Dat is een interessante gedachte, maar tot een zorgvuldige uitwerking ervan komt het niet. Daarmee is ook de zwakte van Kupers boek genoemd: hij neemt te weinig tijd om dergelijke vondsten goed tegen het licht te houden – wat in Ajax, the Dutch, the War in de hand wordt gewerkt doordat hij weinig moeite heeft genomen zijn onderwerp te beperken. De verleiding van de soms vrijwel vergeten en vaak nooit vertelde verhalen was waarschijnlijk al te groot. En die verhalen zijn dat zonder meer waard.

Simon Kuper: Ajax, the Dutch, the War. Football in Europe During World War II. Orion, 238 blz. €30,99

    • Arjen Fortuin