Duimboekjes

Tot mijn mooiste nieuwjaarsboekjes van 2003 hoort dat van de fotograaf Eddy Posthuma de Boer. Het heeft 35 pagina's. Op de onderste helft staat de foto van een oog. Dat is het oog van Eva. Druk het boekje met wijs- en middelvinger stevig op tafel en laat dan de bladzijden langs je duim snel wegritsen, en je ziet Eva argeloos heen en weer kijken. Het is, wat we noemen een duimboekje of flitsboekje. Die woorden staan niet in de grote Van Dale. Misschien bestaat er geen officiële term voor het genre. Dat zou wel vreemd zijn. Duimboekjes horen tot de begerenswaardigste kunst – vind ik in ieder geval.

Mijn eerste duimboekje toonde een Fokker G-1, de beroemde jachtkruiser, sensatie van de Parijse Salon 1938 en voor veel jongens nog steeds het mooiste vliegtuig aller tijden. De G-1 voert in dit boekje wat luchtacrobatiek uit. Had je eenmaal begrepen volgens welk principe het duimboekje werkt, dan was het maar een kleine stap naar het zelf maken. Een leerboek staatsinrichting, met ongeveer 300 bladzijden, bleek goed materiaal voor een eigen duimboekje. Wie in antiquariaten rondneuzend zo'n oud leerboek vindt, verzuime niet op de rechteronderhoek van de pagina's te kijken. Er is een kans dat u, met uw duim, wat acrobatiek voorbij kunt zien flitsen.

Het lijkt me waarschijnlijk dat de grondslag voor de duimboekjes is gelegd door Leonardo da Vinci. In een reeks tekeningen heeft hij bijvoorbeeld de beweging van een stapvoets lopend paard ontleed: hoe het de kop/het hoofd in een hoek van 45 graden naar beneden buigt, een onderkin maakt, terwijl het een bovenpoot/been horizontaal tilt. Paardenvrienden zien er een edele beweging in; voor mij heeft het iets parmantigs, zelfs nuffigs. Leonardo heeft nog veel meer bewegingen ontleed, meestal op één vel, in één tekening. Hij was maar een stapje van het duimboekje af. Nooit zo ver gekomen. Op zichzelf een mysterie: waar het genie een grens van het denken bereikt. En dan natuurlijk, waar het volgend genie die grens spelenderwijs passeert.

Vier eeuwen later begint de Amerikaanse fotograaf Eadweard Muybridge het verloop van menselijke bewegingen vast te leggen. Series foto's van een vrouwelijk naakt dat sierlijk met een handdoek zwaaiend, laat zien hoe ze dit van ogenblik tot ogenblik aanpakt. Hoe lang duurt dan een ogenblik? Nog niet kort genoeg om er een duimboekje van te maken. Daarna komen de Italiaanse futuristen en Marcel Duchamp, met zijn historisch schilderij Nu descendant un escalier, in 1912. Later laat Duchamp nog een foto van zichzelf maken, liever gezegd een reeks foto's, op één vel afgedrukt, waarop hij in tenminste twaalf bewegingen een trap afdaalt.

Zijn Muybridge en Duchamp al op het idee van het duimboekje gekomen? Best mogelijk, maar mijn geschiedenissen vermelden dit niet. Misschien hebben de schrijvers het niet de moeite waard gevonden; misschien het duimboekgenre als niet serieus expres overgeslagen. Het is bijna niet te geloven, maar het dédain van de deskundige zit soms in een klein hoekje.

Mijn volgende duimboekje heb ik me aangeschaft, een jaar of tien geleden, in het Metropolitan Museum of Art. In dit boekje van tien bij vijf centimeter, dat 46 pagina's telt, kun je een kakatoe laten vliegen. Het is uitgegeven door een bedrijf, Optical Toys, dat toen gevestigd was in Putney, Vermont. Die kakatoe doet denken aan werk van Ottomar Anschütz, geestverwant van Muybridge. Anschütz heeft in 1884 in zo'n serie foto's een ooievaar in zijn vlucht vastgelegd; opnieuw zonder er een boekje van te maken.

De duimboekjes worden blijkbaar tot de grote categorie `speelgoed' gerekend. Misschien schuilt daar de grote en gebruikelijke vergissing die zo vaak wordt gemaakt: dat er een principieel verschil tussen kunst en `speelgoed' zou bestaan. Nee, juist niet. In talrijke van de beste gevallen gaat het een in het ander over zonder dat de maker het zelf heeft beseft, laat staan de bewuste bedoeling had. Het duimboekje op zijn best, is een speelboekje, ontstaan dankzij het inzicht en de inval van een kunstenaar.

Juist in deze tijd, nu het dusgenaamde speelgoed niet `professioneel' genoeg kan zijn, terwijl zo menig kunstenaar zich in het zweet zijns aanschijns werkt om zo speels mogelijk `over te komen', raakt het spelen, puur naïef, voor je plezier, in het gedrang. Er zou eens een tentoonstelling van duimboekjes moeten komen om dat te laten zien.

En of de duvel ermee speelt, op dit ogenblik gaat de telefoon. Er wordt me verteld, dat Topor zeer interessante duimboekjes heeft gemaakt. Exemplaren daarvan bevinden zich in de collectie van Freddy de Vree. Gelooft u in toeval? Alle krachten dringen in de richting van een tentoonstelling.