Drukken voor het front

Op 22 juli 1943 nam het Nieuwsblad voor den Boekhandel uit het Duitse zusterblad een bericht over van Rudolf Erckmann, een hoge functionaris bij het Reichsministerium für Volksaufklärung und Propaganda. Erckmann legde uit dat vanaf die zomer de oplage van in Duitsland gedrukte boeken drastisch zou worden verhoogd. Was het tot dan toe gebruikelijk dat een roman in circa 5.000 exemplaren werd uitgegeven, door de technische moeilijkheden bij de productie werd er nu voor gekozen minder boeken in een grotere oplage te drukken. Bovendien werd het `voor de oorlogstaak der litteratuur van het grootste belang geacht, dat vooraanstaande prestaties ook op zoo groot mogelijke schaal verspreid worden'.

Er waren ook Nederlandse schrijvers die van deze verruiming profiteerden. Een van hen was S. Vestdijk, maar ook van Jo van Ammers-Küller, Antoon Coolen, Willy Corsari, Jan de Hartog, Anne de Vries en vele anderen verschenen Duitse vertalingen. Van de in november 1941 gepubliceerde Duitse vertaling van Vestdijks historische roman Rumeiland werden maar liefst ruim 30.000 exemplaren vervaardigd. Bij Vestdijk overheersten financiële motieven, want aan Theun de Vries schreef hij eind december 1941: `mijn ``Duitsche' zaken loopen nog steeds gesmeerd [...]. Ik ben benieuwd hoe lang deze gunstige conjunctuur, voor mij, duren zal' Hij bezwoer bij die gelegenheid De Vries aan zijn mededelingen geen ruchtbaarheid te geven: `Het is niet goed wanneer de aandacht van zekere instanties hier al te veel op gericht wordt, en er schuilt veel jaloezie in het kamp onzer zwarte broeders.' Vestdijks Duitse uitgever schreef hem in juni 1943 van de Wehrmacht een grote bestelling voor Rumeiland toegezegd te hebben gekregen. Het is verrassend dat er in de strak-georganiseerde oorlogsmachinerie kennelijk tijd en aandacht was voor literatuur. Over dit wat surrealistische aspect van de Tweede Wereldoorlog schreef Hans Bühler een diepgravende monografie.

In 1942 nam Goebbels' ministerie het initiatief tot het vervaardigen van speciale veldpostuitgaven in pocketformaat, die voor de soldaten gemakkelijk te transporteren waren. Nederland (dat overigens maar twee frontboekhandels kende in Zwolle en Utrecht) speelde bij het drukken van die uitgaven een bijzondere rol, omdat nergens zoveel drukopdrachten werden geplaatst als in ons land. Al in 1939 werd er in Nederland bij het ministerie van Handel en Nijverheid een Rijksbureau voor Papier opgericht. Dit bureau speelde een bemiddelende rol tussen de Duitse opdrachtgevers en verschillende Nederlandse drukkerijen. Samen waren zij tussen 1941 en 1944 goed voor het drukken van circa vijf miljoen exemplaren voor de frontboekhandel. Daarnaast was er in Nederland een aanzienlijk aantal nationaal-socialistische, of in elk geval met Duitsland sympathiserende uitgeverijen die bij de oorlogsindustrie werden ingeschakeld. Niet alleen geeft Bühler in zijn boek nuttige en gedetailleerde lijstjes van de speciaal voor de frontboekhandels vervaardigde uitgaven, maar hij heeft ook de institutionele aspecten van de frontboekhandel als geheel voorbeeldig in kaart gebracht. Het maakt zijn boek tot een onmisbaar standaardwerk.

Hans-Eugen Bühler: Der Frontbuchhandel 1939-1945. Organisation, Kompetenzen, Verlage, Bücher. Eine Dokumentation. Buchhändler-Vereinigung Frankfurt/Main, 257 blz. €99,–

    • Sjoerd van Faassen