De televisie een oog uitsteken

Stel dat je eenzaam in een hotelkamer zit en, zoals dat gaat op hotelkamers, rare gedachten krijgt en je krijgt de rare gedachte dat de televisie eigenlijk het oog is van de Cycloop en je besluit daar een gedicht over te schrijven. Is dat een goed idee? In principe niet. Anderzijds levert het oeroude verhaal van de Cycloop je wel allerhande bruikbare associaties op. Als de tv zijn ene oog is, ben jij dus Odysseus, die veel geleden heeft, immer dwalend en altijd op weg naar huis, en dan is je hotelkamer de grot van een eenogige kannibaal die je vrienden verorbert en jou als laatste zal opeten. Je bent niemand. Er is aan de grot geen ontsnappen mogelijk, tenzij je zijn ene oog weet uit te steken en onder het mom van makke schapen schuil kan gaan. Er zit gevaar in het oude verhaal en gevaar is goed voor je gedicht.

In Buigzaamheden, de derde bundel van Jan Lauwereyns, staat het gedicht `Het bewustzijnstheater'. Het begint zo:

In een willekeurige hotelkamer?

In de grot van Polyphemus.

Televisie: de eenogige Veelzeggende die beelden

weerkaatst in plaats van ze door te sturen.

Dat is nou toch echt wel een beetje jammer. Het is te uitleggerig. In plaats van zichtbaar en voelbaar te maken dat de televisie het oog is en de kamer de grot, met alle associaties van duisternis en gevaar, geeft Lauwereyns de gelijkstelling als een premisse voor een wiskundige berekening. X? a. Y: b.

In het midden van het gedicht wordt het oog van de Cycloop weer gewoon een televisie: `De wirwar van draden binnen in de zwarte doos kan niets/ absorberen. Moet zijn toevlucht nemen tot transmissie.// Jij hebt wellicht ook geen hersenen als je voor hem gaat zitten.// Hem: het.// Perpetuum mobile van het beeld.'

We begrijpen nu wel beter waarom de dichter zijn gedicht `Het bewustzijnstheater' heeft genoemd. In dit gedeelte hinkt het gedicht op het idee dat de kijker tijdens het televisie kijken wellicht even weinig bewustzijn heeft als de televisie. Maar dit heeft allemaal niets te maken met de mythe van de Cycloop.

Vervolgens valt het gedicht weer terug op het eerdere idee van de gelijkstelling tussen het apparaat en het oog van Polyphemus. Odysseus treedt op: `In zo'n geval komt de schaapman als geroepen,/ met die speer van olijfbomenhout, de afstandsbediening./ Hij mag dat ene oog uitsteken, de stroom van het bewustzijn// onderbreken. Nu, snel.'

Daar doet hij het weer! Als Lauwereyns het idee heeft dat je de televisie uit kunt zetten met je afstandsbediening zoals Odysseus het oog van de Cycloop uitsteekt met een speer van olijfbomenhout, dan zegt hij dat op een manier die het helemaal volledig keurig netjes voor ons uitlegt: die speer van olijfbomenhout, komma, de afstandsbediening. En dat hij bedoelt dat de televisie dan uit gaat, wordt voor alle zekerheid nog eens uitgelegd: dat ene oog uitsteken, komma, de stroom onderbreken. Op deze manier blijft het rare ideetje voor een gedicht dat je kreeg toen je eenzaam op een hotelkamer televisie zat te kijken niets meer dan een raar ideetje voor een gedicht. Het gaat niet leven. En het feit dat je het woord `bewustzijn' laat vallen in de strofe die over Odysseus gaat, wil nog niet zeggen dat je het andere idee dat aan het gedicht ten grondslag ligt, het idee van de bewusteloze kijker, hebt verbonden met het eerste, mythologische idee. De beide onderdelen van het gedicht blijven naast elkaar staan en gaan niet met elkaar in gesprek.

Dit is precies het probleem met veel gedichten van Lauwereyns: het zijn ideetjes voor gedichten. Zoals in een gedicht over een pinguïn, `vogel in duikerpak', met de regels `Vogel die liever zal zwemmen in het donker onderwater/ dan vliegen in het licht der eeuwigheid'. Allemaal leuk bedacht, adequaat geformuleerd, maar er gebeurt niets. De dichter zingt zichzelf niet op het spel en de lezer blijft niet half verkoold in verbijstering achter. En daarbij zijn ideeën die gedichten proberen te worden meestal te abstract om gedichten te worden. Dan krijg je dit soort verzen: `geen gebeurtenis t voor t + 1,/ en dan ook niets daartussen// waar tijd plaats// kon vinden.'

Er is nog een probleem met deze poëzie: er komen te veel vraagtekens in voor. En met name achter stellende zinnen, die kennelijk als functie hebben de stelligheid te ondergraven. Bijvoorbeeld: `Mona glimlacht?/ Mona pruilt.' Ander voorbeeld: `Je ziet alles./ Alles ziet jou?' Nog een voorbeeld: `De bibliotheek moet portable zijn?' Nog een ander voorbeeld: `Zo verstijven vingerkootjes in gesmolten glas/ en worden schaduwen uitgespaard/ in verschroeid hout?' Laatste voorbeeld: `De aanvang is geschiedenis?' Dit is een trucje. Lauwereyns denkt dat één slingertje met een puntje eronder twijfel zaait en diepzinnigheid suggereert, maar het is te bedacht, te goedkoop en het werkt niet.

Lauwereyns is op zijn best wanneer hij onbekommerd stellig en beeldend is. `Hij schildert een wolkje vrolijkheid/ tussen neus en kin.' Maar zo is hij te weinig.

Jan Lauwereyns: Buigzaamheden. Gedichten. Meulenhoff, 66 blz. €13,50

    • Ilja Leonard Pfeijffer