De telefoon is er voor alle mensen

NEW YORK. Tegenover mij woont Karl-Ludwig Selig, een man zonder haar, zelfs geen wenkbrauwen of wimpers, met een stok, geboren in Wiesbaden, een professor vergelijkende literatuurwetenschap, een vrijgezel op leeftijd, die net als ik iedere zondagmiddag in een nabijgelegen Japans hotel de krant leest onder het genot van een omelet naturel en toast.

Op een zondag vroeg hij: ,,Heb jij misschien de week-in-review-bijlage, mijn krant is niet compleet.''

Zo ben ik in zijn netten gevangen. Van het een kwam het ander. Een gesprek was onvermijdelijk, helemaal toen hij hoorde dat ik uit Amsterdam kwam, want daar had hij ooit ook gewoond en onderzoek gedaan. Met Gerard van het Reve, of ik die ook kende, had hij nog een paar plezierige avonden doorgebracht en hij wilde weten of mevrouw De Swaan nog altijd salons organiseerde.

,,Neem me niet kwalijk dat ik zoveel over mezelf praat'', zei hij, ,,maar ik ben nu eenmaal een egomaan.''

De meeste mensen die je ontmoet zijn egomaan, maar ze weten het niet van zichzelf of ze doen alle mogelijke moeite om het te verbergen, dus het is wel aangenaam iemand te ontmoeten die er eerlijk voor uitkomt.

Vanaf die ontmoeting, een maand of drie geleden, wacht meneer Selig iedere zondagmiddag op me, altijd met een plastic tas waarin hij cadeautjes voor me bij zich heeft. Folders van tentoonstellingen die zijn afgelopen, kopieën van krantenartikelen. Meneer Selig leest de krant niet alleen grondig, hij kopieert hem ook.

,,Ik heb het al gelezen'', zeg ik, maar meneer Selig zegt: ,,Neem maar mee, ik heb genoeg kopieën thuis.''

Ik neem een hap, maar nog tijdens het doorslikken ervan vraagt meneer Selig: ,,Heb jij misschien een plattegrond van Amsterdam voor me? Ik kan niet meer reizen, daarom bestudeer ik plattegronden van steden waar ik vroeger ben geweest.''

De volgende zondag heb ik een plattegrond van Amsterdam bij me, meneer Selig neemt hem aan, hij staart naar mijn handen en vraagt: ,,Mag ik iets indiscreets vragen, doe jij je nagels zelf, of laat je ze doen?''

,,Ik laat ze doen'', zeg ik.

,,Waar?''

,,Bij Nails at Nina.''

,,Waar?''

,,Nails at Nina'', zeg ik nog een keer.

,,Ik versta je niet, ik ben een beetje doof.''

Meneer Selig wordt boos als hij iets niet verstaat. Hij schreeuwt: ,,Niemand praat meer duidelijk, dat kunnen de mensen niet meer.''

,,Nails at Nina'', schreeuw ik. Niet echt prettige woorden om door een openbare ruimte te moeten brullen.

Dan kalmeert meneer Selig. ,,Jij bent mijn vriend en adviseur'', zegt hij.

Een vriend en adviseur, ik ben wel veel de laatste tijd.

,,We moeten samen eens uit eten gaan'', zegt meneer Selig, ,,maar ik houd er niet van om de rekening te delen. De ene keer betaal ik, de andere keer jij.''

Een paar dagen later in de namiddag gaat de telefoon, ik neem op want ik verwacht mijn moeder, maar het is meneer Selig. ,,Heb jij net langdurig gebeld?'' vraagt hij.

,,Nee'', zeg ik.

,,Iemand liet langdurig de telefoon overgaan, ik dacht dat jij dat was.''

Ik kijk naar buiten, achter een van die ramen woont meneer Selig tussen allemaal kranten en fotokopieën. Misschien had ik hem moeten bellen. Je moet niet alleen vrouwen bellen met wie geslachtsgemeenschap in een verre toekomst eventueel mogelijk is, of moeders, maar ook egomanen die tegenover je wonen. De telefoon is er voor alle mensen.

,,Als je me belt'', zegt meneer Selig, ,,moet je de telefoon lang laten overgaan, ik loop langzaam, vooral binnenshuis, want daar gebeuren de ergste ongelukken.''

Ik beloof dat ik morgen de telefoon langdurig bij hem zal laten overgaan.

Tien minuten later wordt er weer gebeld, maar nog altijd is het niet mijn moeder. ,,Was jij dat?'' vraagt meneer Selig, ,,ik werd weer gebeld, maar was er niet tijdig bij.''

Ik moet ontkennen en doe dat niet zonder spijt. Ik ga voor het raam staan, zal ik zwaaien naar meneer Selig die daar ergens aan de overkant steeds weer de telefoon hoort overgaan?

Als de telefoon weer gaat vrees ik het ergste, maar eindelijk is het mijn moeder.

,,Ik word hier zo verdrietig van'', zegt ze zonder verdere introductie of begroeting.

,,Waarvan?''

,,Van die stukjes van je. Gebeurt er dan niets vrolijks in je leven? Waarom moet je jezelf een oude man noemen? En dan die dwerg met die slobbertrui die je hebt ontmoet, kom je nooit eens een leuk iemand tegen? Je bent 31, toen ik zo oud was als jij lag het leven voor me open. Je zou eens flink door elkaar geschud moeten worden. En ik zeg je, dat willen de mensen niet lezen, die hebben genoeg somberheid. Dit vindt geen aftrek, dan kun je beter weer ober worden.''

,,Ja'', zeg ik.

,,En ik ben door Amsterdam gelopen, je ligt nergens meer in de etalage.''

Ik weet niet goed wat ik daarop moet zeggen. Ik heb mijn moeder niet gevraagd de Amsterdamse boekhandels af te struinen, maar het gaat mij ook te ver boekhandels te verzoeken omwille van mijn moeder iets in de etalage te leggen.

,,Die etalages'', zeg ik, ,,die veranderen.''

,,Ga toch eens met jonge mensen om. En die vrouwen waar je mee omgaat, daar zie ik ook niks in, die zijn niets voor jou. Als ik zo was als jij zou ik de haren uit mijn hoofd trekken, en je hebt me zo een kleinkind beloofd, hoe lang moet ik daar nog op wachten?''

,,Er wordt aan gewerkt'', zeg ik.

,,Als je alleen met oude mensen omgaat lukt dat niet. Wat staat er verder op mijn lijstje? Oh, Schröder. Voor een vrouw is dat de meest onappetijtelijke man die er bestaat. Hij heeft geverfde haren, valse tanden, een echt mispunt.''

,,Oh'', zeg ik, ,,ja.''

En daarmee wordt ons gesprek beëindigd.

Als beloofd bel ik meneer Selig de volgende dag. Wij spreken af om Japans te eten.

De egomaan praat veel, dat is goed, want mij verstaat hij niet of nauwelijks.

Misschien is het gemeen dit te zeggen, hij kan er niets aan doen, maar hij eet erg vies. De vis zit overal.

,,Ik heb Don Quichotte groot gemaakt op Columbia University'', zegt hij, terwijl ik een stukje witte vis in zijn overhemd zie vallen.

Het gesprek komt op de bombardementen van de geallieerden op Duitsland en een artikel van de schrijver Sebald dat The New Yorker daarover onlangs heeft gepubliceerd.

,,Heb jij dat nummer nog?'' vraagt hij, ,,ik moet het lezen.''

,,Ik zal het zoeken'', zeg ik, nee, schreeuw ik, ,,maar over vier weken komt het boek uit, dat kan ik voor je kopen.''

,,Jij begrijpt het niet, over vier weken leef ik misschien niet meer. Zolang hebben de doktoren me niet meer gegeven. Ik heb het nu nodig. Dit is heel emotioneel voor me.''

Hij wordt rood en schreeuwt: ,,Ich bin ein Reichsdeutsche.''

Even valt alles en iedereen in het Japanse restaurant stil.

,,Ik zal het zoeken'', zeg ik nog een keer.

Bejaarden die op de gekste momenten gaan schreeuwen ben ik gewend, maar de inhoud van hun geschreeuw wordt steeds curieuzer.

,,En nu moet je zeker weer naar huis'', roept meneer Selig, ,,omdat je genoeg gegeten hebt. Ik kom deze zondag niet naar je toe.''

Waarom ontpoppen alle bejaarden in mijn omgeving zich vroeg of laat als jaloerse minnaars?

,,Drie weken geleden was mijn voet bijna geamputeerd'', zegt meneer Selig.

Het kost me moeite medeleven voor hem te voelen, vooral omdat hij doet voorkomen dat ik persoonlijk achter die amputatie zit. ,,Ik moet even plassen'', zeg ik.

Op de wc was ik mijn handen en gezicht grondig.

Als de komende weken veel vrolijke gebeurtenissen in mijn stukjes voorkomen, jonge mensen, gezonde vrouwen, baby's, huwelijken, slingers, een lopend buffet waarbij je zoveel mag eten als je wilt en het ook mee naar huis kunt nemen, als dat allemaal in mijn stukjes voorkomt, dan is dat omwille van mijn moeder.

    • Arnon Grunberg