De maraboe en de koe

In het kamelenperk van de zoo liep een maraboe

jarenlang te bepeinzen of er wat te overpeinzen viel.

Tot als bij tover Monique verscheen. Loeiend stapte

ze op hem toe en op slag was de oude ziel stapel

op een jonge watoessikoe. Hij klepperde, floot en zei

boe, wat wil zeggen jou laat ik nooit alleen. Ja, smaak

had de fratsenmaker. Maar liefst vier stevige poten had

Monique, haar horens stonden wijd en chic, onderwijl

glansde mooi haar roodbruin vel dat in een halsplooi

overging – al zonder haar schouderbult, haar vochte

snuit en de huid die bij de navel hing maakte dit haar

tot een lekker ding. Een maraboe ziet er eerder schurftig

uit. Maar als in gala gekleed ging onze vriend, waarbij

als vervanger van de cravatte zijn keelzak het opzichtig

deed. Hij offreerde zijn liefje edele stenen, hakte naar

kamelenpoten als die storen konden waar zij rustte,

ruimde ezelmest op voor haar schreden, maakte nesten

van alpacawol, takken en gevallen blad, waarvan zij dan

dat laatste at, en bracht haar verder alles wat ze dacht

hij lustte, al trapte ze hem weleens op de tenen. Nooit

ging hij niet met haar te bed. Voor de wacht, niet voor

de pret. Tot op een nacht, na jaren, in haar slaap zij zo

ging verliggen dat zijn staken niet meer los konden zelfs

met wringen. Terwijl Monique allang het zoutblok likte

lag hij nog in het stro. De dokter constateerde meerdere

breuken in beide stelten. Toen besloten werd tot opereren

besloot de ooievaar uit zijn verdoving niet terug te keren,

had hij toch de koe beloofd dat hij haar nimmer verlaten

zou en Wittgenstein gelezen (bij de dood hield de wereld op,

hij veranderde niet). Zo is geschied. Kunnen wij de dieren

nog iets leren? In plaats van verdriet heeft de koe een kalf

gekregen. Van een watoessistier die daar ook al jaren liep.

    • Huub Beurskens