De gevolgen

Na de korte verhalen over Rotterdam, de stad van haar jeugd, haalt Tonny van der Horst herinneringen op aan Amsterdam, waar zij in 1938 met haar man, de dichter Victor van Vriesland ging wonen. Vandaag en morgen de laatste twee afleveringen.

De eerste dagen na de capitulatie op 15 mei 1940 had het iets onwezenlijks de Duitse soldaten gewoon op straat te zien lopen. Ze waren nooit alleen, altijd met z'n tweeën of drieën, en wanneer ik op de Amstelveenseweg boodschappen deed, trof ik ze meestal slenterend met een doos van de daar gevestigde banketbakker aan, waarvan de inhoud gretig werd geconsumeerd. Het viel mij op dat de voorbijgangers met neutrale blikken langs hen heen keken, alsof het een normaal verschijnsel was een lid van het Duitse leger met een roomsoes in zijn hand te zien passeren.

Omdat Vic al jaren geleden van gevluchte joodse collega's uit het buurland wist wat hem als joodse schrijver, dichter en publicist van fel antifascistische artikelen te wachten zou kunnen staan, durfde hij het huis niet meer uit en vermeed zelfs bij de ramen te komen, waarvoor de vitrages gesloten moesten blijven. Hij ging niet meer naar de kapper en kreeg een vreemde uitslag in zijn gezicht, waardoor hij zich niet kon scheren en er onherkenbaar begon uit te zien. Als er gebeld werd, verstarde hij en moest ik naar beneden gaan om door het ruitje van de buitendeur te kijken wie er op de stoep stond. Bovendien werd het steeds moeilijker hem alleen te laten, ook al moest ik maar even naar een winkel in de buurt.

Toch reisde ik, zodra de toegang tot het gebombardeerde Rotterdam was vrijgegeven, naar mijn ouders, die in het gespaard gebleven noorden woonden, en liet mijn vader mij zien wat er van het hart van mijn geboortestad was overgebleven. Niets. Slechts een verschroeide vlakte die tot de Maas reikte, met hier en daar een hoop puin en een enkele nog overeind staande gevel, waarvan de holle gaten als dode ogen de leegte in staarden.

Een van de vele vrienden die met ons meeleefden, de psychiater Paul Hugenholtz, echtgenoot van de schrijfster Emmy van Lokhorst en directeur van de Valeriuskliniek, stelde voor Vic een tijdlang in de kliniek onder zijn hoede te nemen, omdat hij zich daar waarschijnlijk veiliger zou voelen. De eerste keer dat ik hem er opzocht zat hij met een dikke laag zalf op zijn gezicht rechtop in bed. Ofschoon Paul mij erop had voorbereid, voelde ik mij een geschrokken indringster toen ik door een zwak verlichte zaal op mijn tenen tussen twee rijen bedden liep waarin jonge en oude mannen met verbonden hoofden en polsen vaag waren te onderscheiden, en waar een vreemde stilte hing, die nauwelijks werd verbroken door de fluisterende stemmen van de bezoekers.

Met tegenzin, waarvoor ik mij schaamde, ging ik er gedurende een paar weken iedere dag heen en vermeed naar de zwijgend voor zich uit starende mannen te kijken, terwijl Vic mijn hand omklemde en er telkens weer op aandrong goed op te letten of ik onderweg naar de kliniek niet werd gevolgd. Nadat hij met een genezen gezicht de inrichting had verlaten, zette hij zich ertoe weer naar de kapper te gaan en, ondanks zijn afschuw van de Duitse uniformen, zijn dagelijkse wandeling door het Vondelpark te hervatten.

Er kwam iemand om de ramen van zwartpapieren rolgordijnen te voorzien, en 's nachts raakten we min of meer gewend aan het geluid van de overvliegende Engelse eskaders dat vergezeld ging van het ratelende Duitse afweergeschut, terwijl zoeklichten de hemel aftastten.

Eind januari werden de joden geweerd uit alle openbare gelegenheden en braken er rellen uit die de februaristaking tot gevolg hadden. In de veronderstelling dat het buiten Amsterdam veiliger zou zijn, verhuisden wij naar Bergen in Noord-Holland, waar veel oude vrienden van Vic woonden en wij een bungalow met de intrigerende naam Lomi aan de Hertenkamp betrokken. De vierduizend boeken gingen mee en met het oog op Vics sterk verminderde inkomsten – hij kon geen lezingen meer geven en niet meer publiceren – besloot ik het huis 's zomers open te stellen voor bevriende paying guests.

Ze kwamen allemaal. Zo ook Jacques Bloem, die, bij gebrek aan een taxi bij het station, zijn opzienbarende entree maakte in de bakfiets van de plaatselijke groenteman en ons, met een blik op de naam Lomi boven de voordeur, begroette met een zacht maar duidelijk gemompeld `Laat Ons Maar Inslapen'.

    • Tonny van der Horst