De Dubbele Persoonlijkheid als idee

Es'kia Mphahlele schrijft romans en essays over Afrikaanse identiteit en Afrikaans humanisme. ,,Hou op met het gepraat over hoe mooi Afrikanen zijn, terwijl ze sterven van de honger.''

Zoals ze daar zitten: 82 allebei, en vitaal, alsof ze nog de jeugd hebben van 1957 toen ze in Johannesburg op een KLM-vliegtuig naar Nigeria stapten, twintig jaar ballingschap in Afrika, Europa en Amerika tegemoet. Es'kia Mphahlele, schrijver, literator, hoogleraar: een beminnelijke verschijning, met z'n korte witte haar en diepliggende, peinzende ogen. Zijn vrouw Rebecca Mphahlele: kwiek, het hart op de tong, een tikje Amerikaans in haar vlotte zwarte broek en shirt.

Ze zitten op de bescheiden `stoep' voor hun huis in Lebowakgomo, in de apartheidsdagen het bestuurscentrum van thuisland Lebowa, een verzameling lappen niet al te vruchtbare grond, ingeklemd tussen de uitgestrekte landerijen van blanke boeren. Tegenwoordig is Lebowa deel van de Limpopo-provincie, de noordelijkste provincie van Zuid-Afrika, grenzend aan Mozambique, Zimbabwe en Botswana.

De weg naar Lebowakgomo meandert door de prachtige heuvels van wat ooit het land was van stammen en clans als de Lobedu en de Mphahlele's, en heel lang geleden van de Bushmen. Blanke boeren kweken hier fruit en tabak, maar zijn ook in het rijke bezit van grote stukken natuurlijke bush, die veelal uitgebaat worden als privé-parken. Toeristen komen hier om te wandelen, in riviertjes te zwemmen, en om bushmen-rotstekeningen te zien van duizenden jaren geleden.

Wanneer de weg langzaam daalt en rechts en links stoffige vlaktes zichtbaar worden met een rommelige bebouwing, weet je dat je in een oud thuisland bent aangekomen. Na de afslag `Lebowakgomo' komt het erop aan de aanwijzingen van Mphahlele nauwkeurig te volgen – in zwarte woonoorden vind je zelden straatnamen; wijken werden tijdens de apartheid in zones verdeeld en huisnummers lopen op in de duizendtallen. ,,Je passeert een Shell-tankstation'', mailde Mphahlele, ,,nu ben je in Zone A. Aan je rechterhand ligt een begrafenisonderneming. Ga hier rechts. Het is de laatste straat van de zone. Nummer 406.''

,,Een typisch huis uit de thuisland-administratie'', zegt Rebecca. ,,De kamers waren veel te klein. Ik ben het meteen gaan verbouwen in 1977.'' Ze geeft een vluchtige rondleiding: woonkamer uitgebroken, badkamer aangelegd, keuken en studeerkamer aangebouwd. De planken van Mphahlele's bibliotheek zijn leeg: hij schonk onlangs zijn verzameling, een paar duizend boeken, aan de universiteit van Venda, tot 1994 een thuisland-instituut, nu een universiteit die de Afrikaanse Renaissance wil uitdragen.

Autoriteit

Bij hun terugkeer in 1977 kwamen ze vers uit de welvarende buitenwijken van Denver en Philadelphia, blanke suburbs waar ze zich desondanks op hun gemak voelden. Mphahlele was in de Amerikaanse academische wereld een autoriteit op het gebied van Afrikaanse literatuur. Waarom dan teruggegaan? En nog wel in de jaren zeventig, de hoogtijdagen van de apartheid! Welke internationaal gewaardeerde zwarte wilde zich in eigen land opnieuw laten vernederen?

In Afrika My Music (1984), Mphahlele's tweede autobiografie die de ballingschapsjaren omvat, zette hij op een magistrale manier zijn beweegredenen uiteen. In de koelte voor hun huis vat hij het samen als: ,,Er komt een moment dat je je realiseert: je bent geen Europeaan, je bent geen Amerikaan. Je wilt je een mens voelen te midden van andere mensen.''

Ubuntu is het zwarte woord voor dat gevoel. Vrij vertaald betekent het: `Ik ben omdat wij zijn' – volgens Mphahlele is het de kern van het Afrikaans humanisme.

Mphahlele heeft vele pagina's geschreven over wat `ubuntu' precies behelst of zou moeten behelzen. ,,De Afrikaan houdt ervan een wereld van mensen te creëren, in tegenstelling tot de trend in de westerse samenleving, waarin men een afgezonderd leven leidt en dwangmatig plezier buitenshuis zoekt'', noteert Mphahlele in ES'KIA, een bijna 500 pagina's tellende selectie uit zijn essays en lezingen die onlangs verscheen. Doorwrochte stukken, daterend uit de periode 1964-2000, over Afrikaans humanisme, Afrikaanse identiteit, onderwijs en literatuur, waaruit vooral de diepe hoop spreekt dat Afrika zal leren van de fouten van het westen en niet de weg zal inslaan van totale individualisering en tomeloze consumptie. De publicatie van ES'KIA is een particulier initiatief van een aantal Mphahlele-bewonderaars en oud-leerlingen. Een krachtige financiële injectie van Eskom, het Zuid-Afrikaanse elektriciteitsbedrijf, maakte verwezenlijking mogelijk. Boeken van Mphahlele, en van (Zuid-)Afrikaanse auteurs in het algemeen, zijn schaars in de Zuid-Afrikaanse boekhandels.

Wat stelt de Afrikaanse Renaissance – zo vurig gepropageerd door president Thabo Mbeki – voor, wanneer het literaire erfgoed nauwelijks betekenis heeft? vraag ik Mphahlele, die als `de Mandela van de literatuur' een graag geziene gast is op workshops over de `Renaissance'.

,,Afrikaanse Renaissance is een nationaal mantra geworden'', zegt hij. ,,Geen mens weet wat het precies inhoudt. Gaat het vooral om economische groei? Zakenmensen noemen hun restaurants tegenwoordig Renaissance – het concept blijkt vooral een mooie aanleiding om feest te vieren.''

Bewustzijn

Een werkelijke Afrikaanse Renaissance, betoogt Mphahlele, zou een Afrikaans bewustzijn moeten impliceren. En dat moet ontwikkeld worden in het onderwijs. ,,Het schoolcurriculum zou vanaf het begin vakken zoals Afrikaanse geschiedenis, literatuur, sociologie, folklore moeten bevatten. De geschiedenis van Zuid-Afrika zou in het bredere perspectief van de rest van Afrika geplaatst moeten worden. Maar op het departement van Onderwijs hebben ze daar nog niets eens een begin mee gemaakt. Er wordt wel ontzettend veel gepraat, maar niks gedaan.''

Mphahlele mocht in 1977 naar Zuid-Afrika terugkeren op voorwaarde dat hij in Lebowa ging wonen en werk zocht aan de Universiteit van Venda. Hij kwam – `an unemployed Bantu male', zoals hij zichzelf cynisch omschreef – maar de universiteit weigerde hem een baan. Hij mocht ambtenaar worden op het Bantu-ministerie van Onderwijs, nota bene als inspecteur Engels – een positie bedoeld om hem te vernederen.

Vijfentwintig jaar eerder, in 1952, was hij uit het onderwijs ontslagen wegens zijn verzet tegen invoering van het minderwaardige Bantu-onderwijs. Mphahlele, leraar in hart en nieren, kreeg een beroepsverbod. Hij accepteerde een baan als journalist bij het legendarische weekblad Drum in Johannesburg, maar voelde zich niet op z'n plek. ,,Ik wilde lesgeven en ik wilde schrijven'', schrijft hij in Down Second Avenue, zijn eerste autobiografie. Bovendien wilde hij zijn kinderen een Bantu-schoolopleiding besparen. In 1957 hakte hij de knoop door: hij vertrok met zijn gezin naar Lagos, Nigeria.

Down Second Avenue, dat in 1959 bij uitgeverij Faber & Faber in Londen verscheen, werd een Afrikaanse klassieker, vergelijkbaar met Things Fall Apart van de Nigeriaanse auteur Chinua Achebe. Het boek, dat in 1966 verboden werd maar ondergronds bleef rouleren, opende verschillende generaties de ogen voor het diabolische systeem van apartheid.

In Second Avenue beschrijft Mphahlele zijn jongensleven in een straat in een sloppenwijk van Pretoria. Hij wordt samen met zijn broer en zus opgevoed door zijn tante en grootmoeder. Moeder woont in een dienstbodekamertje in een blanke buitenwijk, waar ze werkt als `maid'. De vrouwen stoken illegaal alcohol om het magere inkomen op te vijzelen en de kinderen naar school te kunnen sturen. Vader, een werkloze alcoholist met een groot minderwaardigheidscomplex, is uit zicht: na een incident waarbij hij een ketel hete soep over zijn vrouw gooit, zal hij zijn gezin nooit meer terugzien.

Es'kia doet na een degelijke missieschool een leraarsopleiding, wordt docent in Soweto en studeert in de avonduren Engelse taal- en letterkunde. In 1956 behaalt hij zijn doctoraal, `cum laude' als eerste Zuid-Afrikaanse zwarte.

In Nigeria komt Mphahlele als leraar en schrijver tot bloei. ,,West-Afrika heeft me Afrika teruggegeven'', is zijn gevleugelde uitspraak. Eind jaren vijftig heerst in Afrika een optimistische opwinding: in veel landen is de onafhankelijkheid ophanden en de Afrikanen zijn, schrijft Mphahlele, `zelfbewust en trots'. In 1958 wordt hij door Kwame Nkrumah, president van het eerste Afrikaanse land dat de onafhankelijkheid verwerft, Ghana, uitgenodigd voor de All-African People's Conference, waar hij beroemde Afrikanen als Patrice Lumumba, Kenneth Kaunda en Frantz Fanon ontmoet. Na de eerste euforische vrijheidsjaren volgt ook de teleurstelling. ,,Onafhankelijkheid voor een kleine elite'', noteert Mphahlele over de situatie in Kenia begin jaren zestig, ,,armoede voor de massa. Mzee Kenyatta: het Afrikaanse raadsel, rijk, onverslaanbaar, de dissidente minderheid verpulverend onder zijn voeten.'' En: ,,Ik heb nooit begrepen waarom regeringen in Afrika zo wantrouwig zijn tegenover academici en intellectuelen, schrijvers inbegrepen.''

In 1961 wordt hij benoemd tot directeur van de Afrikaanse afdeling van het Congres voor Culturele Vrijheid in Parijs. Zijn opdracht: Afrikaanse culturele centra alsmede schrijvers, kunstenaars en intellectuelen, financieel en logistiek ondersteunen. Het geld komt onder meer van de Amerikaanse veiligheidsdienst CIA, die hoopt – het zijn de hoogtijdagen van de Koude Oorlog – de Afrikaanse intelligentsia in het westerse kamp te lokken.

Cafétafels

Mphahlele belandt in een milieu van zwarte Franstalige schrijvers en intellectuelen die zich profileren als aanhangers van de `negritude', een concept ontwikkeld door Léopold Senghor, een intellectueel van Senegalese origine, en Aimé Césaire, een schrijver uit Martinique. De Afrikaanse literatuur, is hun gedachte, moet een afspiegeling zijn van het oorspronkelijke, voorkoloniale Afrikaanse leven, en breken met alle Europese invloeden. Intellectuele romantiek, oordeelt Mphahlele die de confrontatie aangaat, van een Afrikaanse elite die haar ideeën aan de cafétafels in Parijs uitbroedt, ver weg van Afrika. Hij stoort zich met name aan het beeld van de nobele, pure Afrikaanse Persoonlijkheid. ,,Hou op met het gepraat over hoe mooi Afrikanen zijn, terwijl ze sterven van de honger'', schrijft hij in zijn essaybundel The African Image (1962). ,,Ik geef niks om black pride als leiders het gebruiken om het volk te bedriegen.'' Mphahlele presenteert het concept van de Dubbele Persoonlijkheid: de Afrikaan draagt zowel Afrikaanse als Europese invloeden in zich en kan uit beide tappen, zowel in het leven als in de kunst.

Ook in de Verenigde Staten, waarheen de familie in 1966 verhuist, mengt Mphahlele zich in discussies over zwarte identiteit in de literatuur. In Voices in the Whirlwind (1972) analyseert hij de Afro-Amerikaanse literatuur en het dilemma van de wenselijkheid van een aparte zwarte identiteit binnen de dominante smeltkroes van de Amerikaanse cultuur. Zijn kritische benadering wordt hem niet in dank afgenomen. Hij wordt uitgemaakt voor `Euro-Afrikaan', aan wie de zwarte Amerikaanse literatuur niet is toevertrouwd.

Amerika is een bijzonder hoofdstuk in de geschiedenis van de Mphahlele's. Academisch gaat het hem voor de wind, in Denver en Philadelphia. Bovendien schrijft hij er, na een drietal verhalenbundels, zijn eerste roman The Wanderers (1971), en wordt hij in 1969 genomineerd voor de Nobelprijs voor Literatuur. Rebecca maakt carrière in het sociaal werk en hun vijf kinderen voegen zich wonderwel in het Amerikaanse leven. ,,De Amerikaanse cultuur zoog hen langzaam maar zeker op, ledemaat na ledemaat, vraatzuchtig'', schrijft Mphahlele enigszins gekweld.

De onvrede begint te knagen. ,,Je kwam tot de pijnlijke ontdekking dat je irrelevant was voor het Amerikaanse onderwijs en zijn culturele doelstellingen'', schrijft hij in Afrika My Music. ,,We wilden een gemeenschap, we wilden een culturele omgeving waarin ons werk relevant zou zijn. Het internationale leven had ons toegerust met een onmetelijke ervaring. Maar intellectuele stimulans was niet genoeg.''

Na een bezoek van een goede Zuid-Afrikaanse vriend in Philadelphia in 1975 begint het heimwee naar `the painful south' ondraaglijk te jeuken. `Go back! Back to ancestral ground!', dreunt het als een refrein in Mphahlele's hoofd. Na twee jaar touwtrekken met de Zuid-Afrikaanse autoriteiten (is hij geen ANC-spion?) keren ze op 17 augustus 1977 terug. Alleen hun jongste zoon Puso, dan 16 jaar, vergezelt hen, met het plan in Lesotho zijn middelbare school af te maken. In het voorjaar van 1978 is hij alweer terug in de Verenigde Staten, geschokt door de Zuid-Afrikaanse waanzin.

De terugkeer ligt de Mphahlele's nog vers in het geheugen, al leven ze nu alweer langer in Zuid-Afrika dan ze in ballingschap hebben doorgebracht. ,,Mensen waren erg op hun hoede voor ons'', zegt Rebecca. ,,Het waren de jaren waarin iedereen een spion kon zijn. Het lag voor de hand dat we verdacht werden.'' Maar de Zuid-Afrikaanse zwarte gemeenschap was ook veranderd, stelt ze. ,,De saamhorigheid was afgebrokkeld. Vroeger kon je altijd een beroep doen op je familie, mensen bespraken hun problemen met elkaar. Nu was iedereen bezig zich met zijn eigen zaken te bemoeien. Ik vond dat moeilijk te accepteren.''

,,Het was ook een kwestie van sociale klasse'', vult Es'kia aan. ,,Mensen die gestudeerd hadden, werden al snel beschouwd als superieur. Nog steeds zitten we met een kleine klasse van gestudeerde professionals en een zee van ongeschoolde arbeiders en werklozen, daartussen zit bijna niks.''

In 1979 komt Mphahlele's redding: de Wits Universiteit in Johannesburg start een vakgroep Afrikaanse Literatuur en hij wordt gevraagd die te leiden als hoogleraar.

Moestuin

Ook Rebecca vindt een baan bij Wits. Ze gaan in Soweto wonen, maar houden hun huis in Lebowa aan. Na drie jaar keert Rebecca terug naar het platteland – daar is belangrijker werk te doen. ,,Kinderen stierven als vliegen'', zegt ze. ,,En de sterftecijfers klopten niet eens. Mensen begroeven hier hun kinderen in de achtertuin.'' Ze zet een moestuinproject op en leert vrouwen hun eigen groente te verbouwen. ,,Toen het sterftecijfer omlaag ging, was het tijd voor onderwijs'', zegt ze droog. Ze richt een crèche op, en vervolgens een kleuterschool. Over de prestaties van de ANC-regering is ze overigens vernietigend: ,,De situatie is hier verslechterd, aan ontwikkeling van menselijke vaardigheden is niets gedaan.'' Venijnig voegt ze eraan toe: ,,Ze hebben geen meesters meer die zeggen wat ze moeten doen, dus waar wachten ze op?''

Es'kia verwezenlijkt een langgekoesterde droom voordat ook hij zich eind jaren tachtig voorgoed in Lebowa nestelt: hij richt in Soweto een Instituut voor Zwart Onderwijs en Onderzoek op. Schoolverlaters en drop-outs krijgen een `Afrikaans bewustzijn' mee in lessen over Afrikaanse geschiedenis, literatuur, antropologie, medicijnen en rituelen. ,,De leerlingen vonden het fantastisch'', zegt Mphahlele. ,,Ik heb ze zien uitgroeien tot zelfbewuste jonge mensen.''

Een sportieve man komt het erf oplopen en knikt goeiedag. ,,Dat is Chabi'', zegt Es'kia. ,,De op één na jongste. Hij heeft zich afgelopen maart bij ons gevoegd.'' Chabi werkte in de Verenigde Staten als kok en wil nu zijn geluk in Zuid-Afrika beproeven. De andere drie kinderen zijn in Amerika gebleven. Hun enige dochter, Teresa, overleed in 1994.

Voelen hun kinderen zich nog Afrikaan?

Es'kia glimlacht. ,,Niet echt'', zegt hij. ,,Maar ze beseffen dat ze anders zijn dan Amerikanen. They keep tuning into African life.''

Spijt het hem? ,,Niet in 't minst'', zegt hij. ,,Ik heb ze altijd laten doen wat hun hart hun ingaf.''

Mphahlele's klassieker `Down Second Avenue', eerder dit jaar in Kaapstad verkozen tot een van de `100 beste Afrikaanse boeken van de twintigste eeuw', is nooit in het Nederlands vertaald. Volgens het `Bibliografisch overzicht van literatuur uit Zuid-Afrika in Nederlandse vertaling' van Susan van der Ree is van Mphahlele slechts sporadisch een verhaal vertaald.

`De Afrikaan houdt ervan om een wereld van mensen te creëren'

`Ik geef niks om black pride als het gebruikt wordt om het volk te bedriegen'

    • Petra Quaedvlieg