Crisis wereldeconomie schaduw over kwestie Irak

De spanning rond Irak heeft net als tijdens de vorige crisis in 1991 effect op de economie. Maar dit keer zijn de problemen in de wereldeconomie fundamenteler. Snel vertrouwensherstel ligt minder voor de hand dan toen.

De reflex is herkenbaar. De aandelenkoersen dalen, het vertrouwen van consumenten zakt in en bedrijven houden hun investeringsplannen op de plank. Het is niet de eerste maal dat de wereld de adem inhoudt voor een grootscheepse aanval op Irak onder Amerikaanse leiding.

Daarom is het ook verleidelijk aan te nemen dat de economie straks, mocht er een daadwerkelijke Amerikaanse aanval komen, ook de rest van het scenario van twaalf jaar geleden afwerkt. Nadat de inval in Irak op 17 januari 1991 begon, schoten de beurskoersen omhoog, daalden de olieprijzen en kreeg het vertrouwen in de economie de impuls die nodig was om aan de toenmalige laagconjunctuur een einde te maken. De `nieuwe wereldorde' die de toenmalige Amerikaanse president, George Bush sr., na de militaire actie uitriep, bleek het startschot voor een decennium van internationale stabiliteit en een ongekende welvaartsstijging. En al even ongekend hoge beurskoersen, waarin de verwachting was ingeprijsd dat het gunstige tij eeuwig zou duren.

Het is de ironie dat juist die periode van voorspoed nu het verschil maakt. Want anders dan tijdens de dip van begin jaren negentig, die samenviel met de vorige aflevering van Golfoorlog, kampt de wereldeconomie op dit moment met de kater van een te uitbundige groei, en een gespatte zeepbel op de financiële markten. En met het vermoeden dat de internationale politieke stabiliteit van de jaren negentig, evenals de economische voorspoed zelf, een illusie kan zijn geweest.

Voorbeelden van de desillusie die volgde zijn er te over. De donderslag bij heldere hemel van de aanslagen in New York en Washington heeft zijn equivalenten in de economie. Want ook daar bleken de rust en voorspoed gebouwd op drijfzand. In september 2000 piekte de Amsterdamse beursindex nog boven de 700 punten. Vanmorgen waren dat er, na een nieuwe week van pessimisme op de beurzen, nog 284. Nog in 2001 ruziede de Tweede Kamer over de verdeling van het begrotingsoverschot. Anderhalf jaar van nulgroei later lopen de ramingen voor noodzakelijke bezuinigingen met de dag op, tot bedragen die de recordbezuinigingen van begin jaren negentig verre overschaduwen. Overal in het Westen kijken werknemers, die zich kort geleden nog verheugden in hun eigen schaarste, aan tegen werkloosheid en mogelijk koopkrachtverlies. En wie drie jaar geleden zou zijn verteld dat de Amerikaanse centrale bank in 2003 zou overwegen de rente te verlagen naar 0,75 procent, zou hebben geconludeerd dat er een moderne variant van Grote Depressie moest zijn uitgebroken.

Ook van het internationale speelveld is de sluier van de voorspoed inmiddels weggetrokken. Was de start van de Doha-ronde van verdere handelsliberalisering twee maanden na `New York' nog bedoeld als een vertoon van westerse eensgezindheid, inmiddels is dat overleg in het slop geraakt. Wederzijdse directe investeringen tussen de VS en Europa zijn zo goed als opgedroogd. En het gapende tekort op de Amerikaanse betalingsbalans, dat nog niet zo lang geleden werd weggewuifd als een teken van kracht, wordt nu opgevat als een gevaarlijke bron van instabiliteit.

De resulterende scherpe daling van de koers van de dollar geeft in de Londense City inmiddels aanleiding tot een vrees voor `concurrerende devaluaties' waarbij zowel de VS, Europa als landen in Azië proberen hun munten zo laag mogelijk te houden tegenover die van de anderen. En zoals de vorige kwestie-Irak het Westen juist wist te verenigen, zo werkt de huidige als een splijtzwam tussen de Verenigde Staten en Europa, en binnen Europa zelf. Dat acht Europese regeringsleiders gisteren een open brief van steun aan de Verenigde Staten ondertekenden is significant. Maar significanter zijn de landen die ontbraken: Duitsland en Frankrijk, samen goed voor de helft van het economische gewicht van de Eurozone. Nu de westerse eenheid afbrokkelt, nadert de tijd snel waarin we de globalisering, de demon van de jaren negentig, zullen koesteren als een dierbare oude vriend. [Vervolg DESILLUSIE: pagina 16]

DESILLUSIE

Nasleep zeepbel is geen bijzaak

[Vervolg van pagina 1] Intussen kampen consumenten, bedrijven en vooral beleggers met een dubbele onzekerheid: óf er een aanval op Irak komt, en of die actie gunstig zal verlopen. Op de beurs gaan veel spelers ervan uit dat, als de militaire operaties eenmaal beginnen, de koersen pijlsnel zullen stijgen. Dat gebeurde in januari 1991 ook. Maar hoe sterk die opleving wordt ligt zeker niet enkel aan de kwestie-Irak. Daarvoor is de wereldeconomie nog veel te fragiel.

De onderliggende winstgevendheid van het bedrijfsleven blijft een bron van zorg. Zelfs als de winsten met 10 procent opveren, wordt slechts het niveau van 1997 bereikt. Waarmee ten overvloede is onderstreept dat de hoge beurskoersen van destijds gebouwd waren op drijfzand. Deze week kwam daar nog een treffende illustratie van. Drie jaar geleden nam internetbedrijf America Online het mediaconcern Time Warner over en creëerde het grootste mediaconcern van wat toen nog de Nieuwe Economie heette. Deze week werd bekend dat AOL Time Warner 100 miljard dollar afboekt aan te veel betaalde lucht. De naam AOL dreigt te worden geschrapt, en AOL-baas Steve Case is geen bestuursvoorzitter meer.

Het verwerken van de schade van de zeepbeleconomie heeft, kortom, tijd nodig. Tijd om alle opgebouwde onevenwichtigheden weer recht te trekken. De actie tegen Irak kan de stemming extra hebben gedrukt. Maar evengoed kan de kwestie-Irak versluieren dat het nog steeds goed mis is met de wereldeconomie. Wie de beursmalaise en het lage consumentenvertrouwen alleen toeschrijft aan de oorlogsdreiging, degradeert daarmee de nasleep van de zeepbeleconomie tot bijzaak. Beleid gericht op herstel, en vooral beleid dat gericht is op het repareren van de geërodeerde internationale economische betrekkingen dreigt zo te worden vergeten.

Vooral de Amerikaanse president Bush moet er veel aan gelegen zijn dat het herstel van de economie spoedig intreedt. Voor zijn vader kwam de opleving in het najaar van 1992 net te laat om zich zijn uitdager Clinton van het lijf te houden.