Zaak-Goudstikker wordt een test-case

Gisteren adviseerde de Commissie-Ekkart aan de regering om aanspraken op oorlogskunst van kunsthandelaren soepeler te behandelen. Wat heeft dit voor gevolgen voor de zaak Goudstikker?

Aanspraken op de teruggave van de zogeheten oorlogskunst moeten niet alleen soepeler en menselijker worden behandeld als het gaat om gedupeerde particulieren maar ook als het gaat om kunsthandelaren. Dit heeft de Commissie-Ekkart geadviseerd aan de regering. Een test-case dient zich reeds aan: een herhaald verzoek van de nieuwe generatie erfgenamen tot heropening van de zaak-Goudstikker.

Jacques Goudstikker, die op de vlucht naar Engeland door een noodlottig ongeval om het leven kwam, gaf zijn naam aan een gerenommeerde kunsthandel in Amsterdam. Tijdens de bezetting werd deze onder auspiciën van Hitler's vazal Hermann Göring, met behulp van het achtergebleven personeel, compleet leeggehaald. Zijn weduwe bereikte na de bevrijding met de Staat een bittere schikking. Als gevolg daarvan werd het Nederlands openbaar kunstbezit een hele serie topstukken rijker.

Mede naar aanleiding van een claim van de in Amerika wonende nazaten tot restitutie liet de regering een onderzoek doen naar de status van kunstvoorwerpen in bezit van het Rijk die na de oorlog van de Duitsers waren gerecupereerd onder de titel Herkomst gezocht. Voorzitter van de begeleidingscommissie werd dr. R.Ekkart, hoofd van het Bureau Kunsthistorische Documentatie (RKD). In 2001 presenteerde deze een aantal aanbevelingen om teruggave drastisch te versoepelen. Deze werden overgenomen door het kabinet en kregen brede steun in de Tweede Kamer. Om te adviseren over concrete beslissingen - de claims waren per slot van rekening compleet verjaard - stelde de regering een commissie in onder voorzitterschap van de oud-staatsraad mr.J.M.Polak. Deze gaf reeds de stoot tot integrale restitutie van de collectie-Gutmann.

Dit betrof een particuliere verzamelaar. Het vraagstuk van kunsthandelaren zoals Goudstikker had de Commissie-Ekkart bewust nog even open gehouden. Dit heeft namelijk enige complicaties. Anders dan bij particuliere verzamelaars is verkoop een primaire doelstelling van een handelaar. Dat gold ook in de oorlog. Het kon dus ook om een gewone verkoop gaan. Daarbij kwam de vaak onduidelijke rol van de Verwalter (door de bezetter aangewezen beheerder) en een groeiend aantal ,,gelegenheidshandelaren'' in kunstwerken.

Met name de kernaanbeveling om verkopen door particulieren in oorlogstijd te beschouwen als gedwongen verkoop tenzij nadrukkelijk anders blijkt, kan niet zonder meer opgaan voor de kunsthandel, aldus de Commissie-Ekkart. Toch houdt zij in haar nieuwe aanbevelingen vooral de soepele lijn aan. Zozeer zelfs, dat niet direct duidelijk is waar de verschillen tussen particulieren en handelaren in de concrete besluitvorming nu echt moeten blijken.

Het antwoord op deze vraag moet in zaken als die van Goudstikker komen van de Commissie-Polak. Deze heeft in de zaak-Gutmann de deur echter al open gezet. Zonder veel nadere toelichting stelde de commissie dat het risico voor het grote tijdsverloop waardoor de precieze toedracht nu moeilijk valt te achterhalen, voor risico van de overheid is. Nader onderzoek werd afgewezen.

Er is nog één belangrijke hobbel op de weg van de Goudstikker-claim. Zowel de Commissie-Ekkart als de regering hebben steeds gesteld dat rechterlijke uitspraken – of een formele schikking – van na de oorlog niet meer overgedaan kunnen worden. In de zaak-Goudstikker is er zo'n schikking (,,dading'', zoals de officiële term luidt) die gelijk is aan een vonnis. De kern van zo'n dading is dat de partij die afziet van zijn claim besluit dat het, alles afwegende, beter is de zaak te laten rusten. Ook al is zo'n uitkomst bepaald niet ideaal.

Voor een deel van de collectie-Gutmann hadden de erfgenamen na de oorlog ook afgezien van hun claim, hoewel zij door de rechter in staat waren gesteld hun aandeel terug te kopen. De Commissie-Polak vond dat met een beroep op ,,veranderd (historisch) inzicht'' echter geen beletsel om te adviseren dat de kunstvoorwerpen ,,zonder meer'' moesten worden gerestitueerd. Daarmee verwees de commissie de opdracht van de regering dat zij het rechtsherstel van na de oorlog niet mag overdoen, in feite naar de prullenbak. Dat ging verder dan de Commissie-Ekkart. Maar de regering heeft het in het geval-Gutmann gewoon geaccepteerd.

In de zaak-Goudstikker ligt er echter een nieuwe uitspraak van de rechter. Het gerechtshof in Den Haag wees in december 1999 een claim van de erfgenamen af omdat het nu echt te laat is. Ook al is er inmiddels een duidelijke kentering in het internationale rechtsgevoel - met de inzet van de Verenigde Staten die zich sterk maken voor claims op oorlogskunst. Het is één ding om het – niet onomstreden – rechtsherstel van na de oorlog open te breken. De vraag in de zaak-Goudstikker is welke argumenten de Commissie-Polak heeft om een duidelijke afwijzing van een Nederlandse rechter in de nieuwe tijd opzij te schuiven.

    • F. Kuitenbrouwer