Vijf-en-zestig

Moet koningin Beatrix na haar 65ste verjaardag, morgen, met pensioen? Een onzinnige vraag, aldus H.J.A. Hofland. Hij roept het staatshoofd op de wet te negeren.

Morgen, 31 januari 2003, is voor het Koninkrijk een belangrijke dag. Ons staatshoofd bereikt de pensioengerechtigde leeftijd. Iedere Nederlander krijgt op die leeftijd AOW. Koningin Beatrix heeft al laten weten dat ze die aan een goed doel zal schenken. Iedereen die in dienst van de staat is, moet op zijn vijfenzestigste met pensioen. De vraag is of dat ook voor het staatshoofd geldt. Ik vind dat een onzinnige vraag. Daarvoor heb ik mijn persoonlijke verklaring.

Terug in de vaderlandse geschiedenis, naar de 31ste januari 1938. Een gewone schooldag, maar plotseling rinkelde de schoolbel op een ongewone tijd. Alle kinderen naar het gymnastieklokaal! Daar werden we toegesproken door de hoofdonderwijzer, meneer Van der Mark, een man van Friese afkomst, kort van stof. ,,Kinderen!'' zei hij. ,,Er is een prinsesje geboren! We gaan het Wilhelmus zingen!'' Velen van ons waren verrast, hadden niet goed beseft dat dit ophanden was. In die tijd wisten de kinderen uit de lagere klassen niet eens waar ze vandaan kwamen. Ik zat in de vijfde.

We zongen het volkslied, eerste couplet. We vroegen ons af of het zesde ook nog werd verwacht. Nee, de plechtigheid was afgelopen. ,,En nu, vandaag hebben jullie vrij!'' zei meneer Van der Mark. Wat ons betrof konden er niet genoeg prinsesjes worden geboren.

Het werd oorlog. De schooljeugd verloor het Koninklijk Huis min of meer uit het oog. Je had toen andere dingen aan je hoofd. Het begon pas weer met de terugkeer van koningin Wilhelmina in Nederland. Daarna is er van alles gebeurd zonder dat de kroonprinses, zoals we dat nu noemen, `in de publiciteit' raakte. Het begon pas toen John de Rooy in 1965 zijn beroemde foto maakte waar ze met prins Claus op staat. Na de toestanden om het huwelijk ging weer een aantal betrekkelijk publiciteitsvrije jaren voorbij, tot de inhuldiging.

Opdat het volk haar beter zou leren kennen, had de Rijksvoorlichtingsdienst een film over haar laten maken. Je ziet haar onder andere aan het werk in haar beeldhouwatelier. Het beste vond ik de passage waarin ze te paard langs het strand bij een stevige bries door de branding galoppeert. Welk land heeft dat, dacht ik. Een kroonprinses die kan beeldhouwen en zo vrijheidslustig paard rijden. Ze leek me een goed staatshoofd. Door de jaren heen heeft ze bewezen dat ze het is.

Maar of dat genoeg is om aan het werk te blijven? Dat hangt af van de tijd, de historische periode waarin je werkzame leven valt, en natuurlijk, of je het goed doet. Nog niet zo lang geleden had je de `57-half-regeling'. Mensen die schoon genoeg hadden van hun baantje, konden met behoud van een groot deel van hun inkomen `eruit stappen'. Eindelijk konden ze gaan doen wat ze wilden, en ze maakten plaats voor jongeren. Iedereen tevreden.

In dezelfde tijd was er de VUT, afkorting van Vervroegde Uittreding. `Uittreden' is voor mij verbonden met een tante die zich in parapsychologische verschijnselen verdiepte. Regelmatig trad haar geest buiten haar lichaam. Ik vroeg of ik er eens bij mocht zijn. Daar was ik te klein voor, zei ze. Tweeënvijftig jaar later werd me verteld dat ik zelf vervroegd moest uittreden. Daar was niets aan te doen. Ik mocht niet meer werken, maar ik werd wel onverminderd doorbetaald. Alsof mijn geest me zou worden ontnomen. Ik liet weten dat ik deze voor mij idiote regeling niet zou volgen. Heb dat ook niet gedaan. Tot op de dag van vandaag heb ik er geen spijt van.

De VUT is intussen afgeschaft, want `onbetaalbaar' geworden. Alle ouderen zullen, als gevolg van de veranderingen in de demografische samenstelling van het volk en de toestand van de economie, steeds langer moeten werken. Dit ongeacht de vraag of je wel of geen plezier hebt in je werk.

Terug tot de nationale kwestie: zullen we de koningin aanraden met pensioen te gaan? Eigenlijk denk ik, net als toen de VUT me dreigde te overkomen: Waar bemoei je je mee? Maar sinds dr. W. Drees senior heeft de 65ste verjaardag een andere kwaliteit. Het passeren van deze mijlpaal is niet in alle opzichten een feest. Met enige wellust prent de overheid je in dat je van de ene dag op de andere bejaard bent geworden. Je kunt een bejaardenpas aanvragen, een roze tramkaart kopen. Voor veel hoef je minder te betalen. Dat is niet te versmaden. Maar er worden ook andere dingen van je verwacht: dat je op de verkeerde toetsen van de kaartjesautomaat drukt, zodat de rij van de druk-druk-drukjongeren achter je steeds langer wordt. Dat je tenminste één op de vijf zinnen begint met vroeger. Dat je gaat klagen, mopperen, zeuren; dat je een jongere die zijn normen en waarden kent, toestaat je te vragen `of het nog een beetje gaat'; of je het nog kunt `bijsloffen'.

Voor iedereen komt de tijd van vertrek. De anderen merken dan wel dat je `de tijd niet meer begrijpt'; of je besluit zelf de tijd niet meer te willen begrijpen. Dan is het ogenblik aangebroken. Dat, vind ik, hoort door ieder mens zelf te worden bepaald, en niet door een wet. Ik zeg tegen mijn staatshoofd, voor één keer: negeer de wet, althans deze. Blijf!