Traagheid troef in onderzoek Van der G.

Het onderzoek naar Volkert van der G. in het Pieter Baan Centrum moet op last van de rechtbank snel worden afgerond. Maar waarom de zaak zo is vertraagd, werd gisteren op de derde pro formazitting niet helemaal duidelijk.

Grote woorden en tempo. Dat waren de belangrijkste kenmerken van de derde pro formazitting in de strafzaak tegen Volkert van der G., verdacht van de moord op Pim Fortuyn. Grote woorden van zowel raadslieden als officier van justitie; tempo van de kant van de rechtbank, die duidelijk vaart in het proces wilde brengen. En dus hakten de rechters 's middags een aantal knopen door, waardoor nu vast staat dat de inhoudelijke behandeling van de zaak op 27 maart zal beginnen.

Maar voor het zover was, ontspon zich in de ochtend nog een lange discussie over de gerezen moeilijkheden rond het gedragskundig onderzoek van Van der G. in het Pieter Baan Centrum (PBC) in Utrecht. Daarbij ging het om wat officier van justitie K. Plooy ,,logische verschillen van inzicht'' noemde tussen het ministerie van Justitie en het PBC. Het departement had, in tegenstelling tot het PBC, bedenkingen tegen de observatie van Van der G. in een groep een belangrijke basis van de werkzaamheden binnen de psychiatrische observatiekliniek. Bovendien wilde het ministerie het permanente cameratoezicht op Van der G. handhaven. Dat zorgde er weer voor dat de verdachte zelf enkele dagen zijn medewerking aan het onderzoek opzei.

Uiteindelijk waren de problemen pas maandagavond van de baan. Van der G. is inmiddels verhuisd van cel `E4', waar het permanente cameratoezicht gold, naar een normale cel op `Afdeling B', waar nachtelijke controle door bewakers geldt. En Van der G. zit inmiddels toch in een groep.

De gebeurtenissen blijken enige nawerkingen te hebben gehad. J. van Mulbrecht, hoofd jurdische zaken van het PBC, door de rechtbank als getuige opgeroepen, vertelde dat door ,,de verwikkelingen'' de vertrouwensband tussen PBC en Van der G. ,,heel precair'' lag en dat de groepsobservatie nog nauwelijks is begonnen. Door het verlies aan tijd achtte het PBC drie weken extra ,,noodzakelijk'' om het onderzoek af te ronden.

De rechtbank ging daar maar gedeeltelijk in mee. Na beraad in raadkamer werd besloten een strak tijdschema te hanteren. Het PBC-rapport moet uiterlijk 21 maart klaar zijn; één week later begint de inhoudelijke behandeling. Van der G. zelf kreeg ook nog een boodschap van de rechters mee: als hij, om wat voor reden dan ook, de komende weken opnieuw zijn medewerking aan het onderzoek weigert, dan wordt het PBC rapport opgemaakt met ,,de alsdan voorhanden zijnde gegevens.''

Of de gebeurtenissen van de afgelopen weken en het snelle tijdschema nog gevolgen zullen hebben voor de wetenschappelijke waarde van het rapport, werd gisteren niet helder. De kans is aanwezig dat de PBC-rapportage straks, bijvoorbeeld door de tijdsdruk of doordat Van der G. alsnog niet meewerkt, een minder betrouwbare stempel draagt. Van der G.'s advocaten zullen dan niet aarzelen om een contraexpertise aan te vragen. Van Mulbrecht kon geen garanties geven over het welslagen van het PBCrapport. Wel zei hij ,,ervan uit te gaan'' dat ,,nu de condities zijn gecreëerd waarin we het onderzoek kunnen doen''.

Vast staat dat er kostbare tijd verloren is gegaan. Dat werd op de zitting extra duidelijk toen bleek dat een PBCopname wettelijk niet langer dan zeven weken mag duren. Waarom de verschillende partijen er niet in geslaagd zijn om tussen 4 november vorig jaar (de dag dat de rechtbank de opname in het PBC beval) en 6 januari (de dag dat Van der G. in het PBC arriveerde) de juiste condities voor het onderzoek te scheppen, bleef vaag. Van der G.'s raadsman S. Franken legde de schuld bij het ministerie van Justitie en opende vol de aanval op minister Donner. Zijn bemoeienis met het PBC-onderzoek karakteriseerde hij als ,,zonder precedent'' en ,,onaanvaardbaar'' omdat de bewindsman daarmee ,,rechtstreeks invloed heeft uitgeoefend op het strafrechtelijk onderzoek.'' Volgens Franken had het PBC in december al de onderzoeksopzet voorgesteld die nu uit de bus is gerold, maar werd de zaak door de interventie van de minister vertraagd. Het OM zat volgens Franken al op 9 januari op de lijn van het PBC.

Officier van justitie Plooy weersprak dat laatste punt niet. Maar de stellingen van Franken over de minister noemde hij ,,zwaar overtrokken'', ,,baarlijke nonsens'' en ,,opgeblazen tot ongekende proporties.'' Volgens Plooy was de handelwijze van het departement slechts ingegeven vanwege het nemen van verantwoordelijkheid voor het welzijn van de verdachte en om te voorkomen dat er iets met Van der G. gebeurt. Wel erkende hij dat de afhandeling voor het PBC ,,iets sneller had gemogen''. Plooy viel de verdachte vervolgens persoonlijk aan: ,,Het lijkt erop alsof Van der G. het onderzoek kan regisseren en dat we moeten zeggen: meneer Van der G., nog iets van uw dienst?''

Toch bleef onduidelijk waarom het bereiken van een oplossing zo lang heeft geduurd en wat het ministerie heeft gedaan met de al in een vroeg stadium geuitte opmerkingen van het PBC. Reeds in een brief van 17 december 2002 stelde de kliniek bijvoorbeeld dat het permanente cameratoezicht ,,geen werkbare basis zou creëren voor het opbouwen van een vertrouwensrelatie tussen onderzoekers en observandus en om die reden onverenigbaar wordt geacht met een belangrijk grondprincipe voor een verantwoord klinisch onderzoek.''

In ieder geval keert, als alles goed is, de rust de komende weken terug. Van der G. zal op 27 maart voor het eerst verschijnen in de extra beveiligde rechtszaal van de Amsterdamse rechtbank in Osdorp. Er worden vier zittingsdagen verwacht. De uitspraak zal dan half april zijn, drie weken voordat de moord op Pim Fortuyn één jaar oud is.

    • Joost Oranje