Populisme moet niet de nieuwe politiek zijn

Veel van de problemen in de (grote) steden kunnen heel wel door burgers worden aangepakt. Wat de nationale problemen betreft moeten de burgers weer opnieuw leren dat ons politieke bestel geen directe, maar een indirecte democratie is, betoogt Anton C. Zijderveld.

Het was tijdens een borrel, begin jaren negentig van de vorige eeuw. Ik had het met een minister over de Rotterdamse sociale vernieuwing. Ze vroeg me wat dat nou volgens mij precies was. Ik opperde dat het er vooral om ging de burgers zelf te laten aangeven hoe ze in hun buurten en straten op een enigszins aangename manier met elkaar zouden kunnen leven en omgaan. ,,Het is zaak van de burgers zelf, niet van bestuurders in het stadhuis, laat staan in Den Haag.'' Afkeer tekende zich op het sociaal-democratische gezicht af: ,,Ach, hou toch op. Het volk weet helemaal niet wat het wil!'' Ik was met stomheid geslagen.

De afgelopen maanden moest ik vaak aan deze uitspraak denken. Ik ben er nog steeds van overtuigd dat veel van de problemen in de (grote) steden op wijk- en buurtniveau primair door de burgers zelf besproken, onderhandeld en aangepakt moeten worden. Maar waar het om de grote, nationale problemen gaat – investeringen in onderwijs, zorg, milieu en infrastructuur, een humane, doch verantwoorde immigratiepolitiek, het bevorderen van de integratie van zogeheten allochtonen – is het zeer de vraag of de burgers wel weten wat ze precies willen.

Alleen al het grote aantal zwevende kiezers bij de laatste verkiezingen heeft aangetoond dat de vox populi allesbehalve de vox dei is. Die suggestie werd intussen zowel door de politici als de opinieleiders en de media in de afgelopen maanden wel gewekt. Het zijn inmiddels alsmaar rondzingende clichés geworden: ,,er moet beter naar de burgers geluisterd worden'', ,,de Haagse politiek ligt onder een kaasstolp'', ,,de burgers willen een directere greep op de politieke besluitvorming''.

De oplossingen hebben niet minder weg van aan inflatie lijdende munten: het referendum, het districtenstelsel, de gekozen premier, burgemeester en commissaris van de koningin, minder regels, minder bureaucratie, meer en betere media-uitstraling van politici die meer het land in moeten om naar burgers te luisteren en met hen te communiceren, etcetera.

Clichés zijn niet altijd verkeerd. Met een aantal van de genoemde oplossingen voor het vermeende politieke tekort van de politiek kan ik het eens zijn, maar het gaat om het hele pakket en de daarachter liggende motivatie. Die is, aangewakkerd door Pim Fortuyn, populistisch van aard. Zijn ster steeg snel toen hij zich duidelijk uitsprak over wat veel burgers zorgen baart in de snel mondialiserende maatschappij: de toename van het aantal allochtonen die, zoals immigranten in alle tijden en alle landen hebben gedaan, zich concentreerden in volkswijken en daar in principe de sociaal-economische achterstand van deze wijken deelden. Vroeger was socialisme de ideologie die hen dreef om uit deze achterstand te geraken. Nu is dat voor velen de islam en dat is sedert 11 september 2001 voor autochtone burgers, zeker als ze in of dichtbij deze achterstandswijken wonen, een angstaanjagend perspectief.

Wat veel burgers wensen, zijn politici die hiertegen fel van leer trekken. Wat we evenwel nodig hebben is niet een op angsten en onzekerheden gefundeerde `nieuwe politiek', maar politici en zowel autochtone als allochtone burgers die een voor alle partijen duidelijk integratiebeleid voeren. Integratie is geen assimilatie, geen aanpassing aan een onduidelijke `dominante cultuur'. Het is een deelname aan een op onze democratische Grondwet en rechtsstaat gebaseerde samenleving. Een dergelijke participatie begint bij onderwijs en scholing en vindt haar voltooiing in een volwaardige deelname aan het arbeidsproces. Barrières zoals slecht onderwijs in `zwarte' scholen, uitval in het onderwijs, discriminatie op de werkvloer, maar ook discriminerende processen binnen de eigen subcultuur moeten hardhandig worden aangepakt – door de overheden, maar ook waar mogelijk door de burgers zelf.

En wat de grote nationale problemen betreft – investeringen in de publieke sector, versterking van de economie, veiligheidsbeleid, enzovoorts – moeten de burgers weer opnieuw leren dat ons politieke bestel geen directe, maar een indirecte democratie is, gegrondvest in de parlementaire vertegenwoordiging.

De roep om meer directe invloed van de burgers op de politieke besluitvorming is niet ongevaarlijk. Om te beginnen is in de afgelopen maanden duidelijk geworden dat volksvertegenwoordiging een moeilijk vak is dat nieuwkomers in het parlement niet zomaar even onder de knie krijgen. En wie in een soort directheidswaan roept om het einde van onze parlementaire vertegenwoordiging moet een duidelijk, niet-populistisch alternatief bieden.

Populisme is in korte tijd in ons land weer populair geworden. De geschiedenis van Europa en Zuid-Amerika heeft evenwel getoond dat populistische politici altijd begonnen met te luisteren naar de stem van het volk, maar al snel meenden zelf de mond van het volk te zijn.

Ze zetten daarbij met veel uiterlijk vertoon niet alleen een grote mond op, maar smoorden weldra ook iedere vorm van democratie in eigen machtswellust. Populisme is dus zeker niet de `nieuwe' politiek die wij, burgers, moeten willen.

Prof.dr. A. Zijderveld is hoogleraar Algemene sociologie aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. Dit artikel is een voorzet voor een essaywedstrijd rond twee vragen: Hoe krijgen de burgers de politiek die zij verdienen? Hoe krijgt de politiek de burgers die zij verdient? De essaywedstrijd wordt georganiseerd door het Forum voor Democratische Ontwikkeling. Meer informatie: www.forumdemocratie.nl