Israëlische kiezers vergissen zich op twee fronten

Het is begrijpelijk dat veel Palestijnen de laatste tijd droomden van een overwinning van de Arbeidspartij bij de Israëlische verkiezingen van 28 januari. Nu dat niet is gebeurd, zullen zij blijven zoeken naar externe reddingsbronnen, meent Amira Hass.

Zoals verwacht is rechts Israël afgelopen dinsdag versterkt uit de verkiezingen gekomen en is Ariel Sharon opnieuw gekroond als de onverslaanbare premier van Israël.

Verwacht, maar op het eerste gezicht toch raadselachtig: de 22 maanden dat Sharon aan de macht was, worden beschouwd als een dieptepunt – zo niet hét dieptepunt – in de korte geschiedenis van Israël. Niet alleen kwam Sharon zijn vorige verkiezingsbelofte niet na – het waarborgen van vrede en veiligheid – en niet alleen ging onder hem de economie nog verder achteruit, ook aan een aantal leden van zijn (Likud-)partij, zijn twee zoons en hemzelf is de verdenking van corruptie en financieel wangedrag gaan kleven.

Maar zoals bij de verkiezingen bleek, de meeste Israëliërs houden Sharon niet verantwoordelijk voor de mislukkingen van zijn beleid. Ze hangen de theorie aandat de Palestijnen met de huidige bloedige strijd `begonnen zijn' en dat Arafat die van meet af aan heeft gepland – dus zijn de tegenslagen van de laatste twee jaar hún schuld. Met andere woorden: in het Israëlische politieke debat is van Arafat een schaduwkandidaat bij de verkiezingen gemaakt en het wegstemmen van Arafat betekende kiezen voor Sharon.

Ook de Arbeidspartij en de Meretzpartij hebben beide beweerd dat de beproevingen van de laatste twee jaar hoofdzakelijk aan Arafat te wijten zijn – en dus ook hun eigen falen. Zij hebben veronachtzaamd dat hun eigen regeringen onder het premierschap van de vermoorde Yizhak Rabin en daarna van Shimon Peres en Ehud Barak niet alleen het Israëlische vestigingsbeleid van joden in de bezette gebieden hebben versneld, maar ook nog eens de even frustrerende en verstikkende economisch-politiek-sociale controle over de Palestijnen binnen Israël hebben vervolmaakt (door een gedetailleerd pasjesstelsel à la het voormalige Zuid-Afrika en een algemene beperking van de bewegingsvrijheid, van kracht sinds 1991).

De meeste Israëliërs verwachten inmiddels niet alleen van Sharon dat hij zijn militaire beleid tegen de Palestijnen en Arafat voortzet, maar zelfs nog opvoert. Zo heeft de Israëlische kiezer bij deze verkiezingen enerzijds blijk gegeven van enerzijds een gevoel van zwakte en slachtofferschap en anderzijds van een hartstochtelijk vertrouwen dat de militaire macht van Israël in staat is de problemen op te lossen.

De Arbeidspartij heeft verzuimd het publieke debat te richten op de prijs die Israël betaalt voor de versterking van zijn greep op de Westelijke Jordaanoever en de Gazastrook. Het incidentele `succes' waarmee sommige Palestijnen de Israëlische omsingeling doorbreken en ondanks de waakzame inlichtingendiensten en legerpatrouilles, zichzelf en een stuk of tien Israëlische burgers opblazen, is voor de meeste Israëliërs een teken van de Palestijnse beestachtigheid en onverzoenlijkheid – niet van wanhoop en verzet tegen een bezetting. In het algemeen zijn de Israëliërs het eens met de formulering van Sharon: eerst moet de terreur ophouden, dan pas kunnen we de politieke onderhandelingen hervatten.

Het feit dat Sharon pleit voor de vorming van een beperkt aantal Palestijnse bantoestans (tussen de bloeiende joodse nederzettingen) baart de meeste Israëliërs geen zorgen. Waarschijnlijk wordt dit opgevat als de normale gang van zaken: het godsdienstig-nationalistische argument dat dit `ons land' is, plus de economische voordelen voor degenen die leven en werken in de grote nederzettingen, maakt hen die erop proberen te wijzen hoe onzinnig het is om miljarden dollars in de ontwikkeling en veiligheid van deze joodse nederzettingen te steken terwijl de economie van het land aan de rand van de afgrond staat, monddood.

De meeste Israëliërs sluiten bewust de ogen voor de omvang van de Israëlisch maatregelen die in de zogeheten `oorlog tegen de terreur' tegen de Palestijnen zijn genomen. De gemiddelde Israëliër volgt niet de berichten over de Palestijnse burgers die bijna dagelijks worden gedood en verwond door het Israëlische leger (tot dusver zijn er meer dan 2000 Palestijnen gedood, van wie minstens 1500 burgers of politieagenten die niet aan de gewapende strijd deelnamen), laat staan de twijfelachtige omstandigheden waarin een Israëlische soldaat of legereenheid het nodig vindt om een woonwijk of een voetganger te beschieten.

De meeste mensen in Israël staan niet stil bij het traumatische beleid van langdurige avondklokken en permanente afsluiting en belegering, waardoor Palestijnse gemeenschappen zijn veranderd in kleine gevangenissen waar de toegang tot gezondheidszorg, onderwijs, werk en familie een levensbedreigende marteling is geworden.

De Israëliërs vragen zich meestal niet af hoe het komt dat er ondanks de militaire operaties wekelijks zo'n honderd Palestijnen worden gearresteerd en toegevoegd aan de duizenden die in ondermaatse provisorische gevangenissen en tentenkampen worden geplaatst, waar familiebezoek niet wordt toegestaan.

De Israëliërs beseffen niet wat het betekent om dagelijks te worden lastiggevallen en vernederd door militairen bij de ontelbare wegversperringen die het beleid van belegering en afsluiting met zich meebrengt. De Israëliërs zijn onverschillig voor de tienduizenden Palestijnen die nu hun rijke landbouwgrond verliezen ten behoeve van een `scheidingsmuur' op de Westelijke Jordaanoever en rond elke Joodse nederzetting in de Gazastrook en op de Westelijke Jordaanoever.

Zonder bij dit alles stil te staan heeft de Israëlische verkiezingscampagne geen rekening gehouden met de veerkracht van de Palestijnen en hun volharding en vastberadenheid om nog iets van een normaal leven te leiden, ondanks de armoede en de abnormale omstandigheden die de Israëlische bezetting tot gevolg heeft. Dat zou wel gemoeten hebben: niet om moralistische redenen, maar zuiver strategisch en op lange termijn gezien.

De Palestijnen zijn, individueel en in gezinsverband, veerkrachtig en creatief in de wegen die ze vinden om de beperkingen en rampen van de bezetting het hoofd te bieden. Maar die creativiteit en moed zijn niet gepaard gegaan met enige politieke creativiteit en moed van de kant van de Palestijnse leiding. De Palestijnse Autoriteit heeft verzuimd om onafhankelijkheid en ontwikkeling te bewerkstelligen voor haar volk. Waarachtige democratische veranderingen in de leiding zijn uitgebleven, terwijl die in de strijd tegen de Israëlische bezetting alleen maar zouden helpen. Zo zou een proces in gang moeten worden gezet van overleg en gedeelde besluitvorming door de verschillende politieke groeperingenen en moet er een einde komen aan de ondoorzichtige financiële gewoonten en de bevoorrechting van de naaste medewerkers van de Autoriteit.

In dergelijke omstandigheden waarin de leiding onmachtig en passief is en steeds meer van zijn eigen volk vervreemdt, worden de zelfmoordaanslagen door het grootste deel van de Palestijnse bevolking gezien als daden van opperste moed, zelfopoffering en kracht. Maar dat is een schijnkracht, want het gaat niet om een bevrijdingsstrategie en -filosofie, maar vooral om Palestijnse interne politieke afwegingen: door tegemoet te komen aan het publieke verlangen naar wraak en pijnlijke vergelding van Israëlische aanvallen, heeft Hamas zijn positie in de interne politieke arena versterkt. Daarom hebben ook de activisten van al Fatah, de vleugel van Arafat die – in tegenstelling tot de islamisten – wel onderscheid maakt tussen de grenzen van voor 1967 tussen Israël en de Westelijke Jordaanoever en de Gazastrook, zich bij die wraaktactiek aangesloten.

De zelfmoordaanslagen op Israëlische burgers zijn niet alleen meer het handelsmerk van de islamisten en drukken de pogingen tot georganiseerde burgerlijke ongehoorzaamheid of een strikte guerrilla naar de marge. De Palestijnse Autoriteit zou een dergelijk verzet moeten leiden en daarom door haar volk gerespecteerd en vertrouwd moeten worden. Maar dat is niet het geval.

Geen wonder dat veel Palestijnen de laatste tijd hebben gedroomd van een overwinning van de Arbeidspartij onder Amram Mizna. Zij vonden het moeilijk te geloven dat zijn redelijke woorden (onderhandelingen, ontmanteling van de nederzettingen) de Israëliërs niet overtuigden. In het besef dat ze de Palestijnse politiek niet kunnen beïnvloeden en niet tot de Palestijnse leiding kunnen doordringen, hebben ze hun toevlucht genomen tot een soort droomland en speculaties over de Israëlische verkiezingen.

Hoe veerkrachtig ze individueel ook zijn, als groep wentelen de Palestijnen zich in een gevoel van hulpeloosheid, passiviteit en wantrouwen jegens hun leiding. Met hun steun aan de zelfmoordaanslagen (als reactie) onderschatten ze de invloed die deze aanslagen op de Israëlische publieke opinie hebben. Ze onderschatten de individuele veerkracht die hiermee word geëist van vele Israëliërs – voor wie het reusachtige Israëlische leger een gegeven is dat ze daarom niet eens opmerken.

De sterke Israëliërs, die zich slachtoffers voelen (maar een vrij normaal leven leiden) en wier leiding dit valse gevoel van slachtofferschap manipuleert, hebben de sterke Sharon gekozen om `de Palestijnen een lesje te blijven leren'. De objectief zwakke Palestijnen, wier individuele subjectieve kracht niet is vertaald in georganiseerde, verenigde en doordachte vormen van verzet, blijven zoeken naar externe bronnen van redding, die de Israëlische verkiezingsuitslag hun niet heeft geboden.

Amira Hass is redacteur van Ha'aretz.