Huisartsen negeren etnische verschillen

De standaarden die huisartsen dagelijks gebruiken bij behandeling van hun patiënten houden onvoldoende rekening met etnische verschillen. Daarom ontvangen allochtone patiënten vaak minder goede zorg dan autochtonen.

Aan eenzelfde behandeling voor diabetes houden Turkse mannen bijvoorbeeld een hogere suikerwaarde over dan Nederlandse mannen.

Een van de oorzaken daarvan is dat de advisering van huisartsen gericht is op voeding, terwijl Turken vaak al gezond eten en een ander advies nodig hebben. Een ander voorbeeld is dat zwarten met hoge bloeddruk andere medicatie nodig hebben dan blanken. De standaard meldt dit niet.

De huisartsenstandaarden zijn ontwikkeld door het Nederlands Huisartsen Genootschap (NHG). Ze bieden een houvast en dienen te voorkomen dat er grote verschillen ontstaan tussen huisartsen. Ruim 70 procent van de huisartsen volgt de standaarden bij de behandeling van patiënten. Elke standaard beschrijft een ziekte en adviseert over behandeling.

Sociaal wetenschapper M. Bruijnzeels en gezondheidswetenschapper R. Manna van de Erasmus Universiteit Rotterdam onderzoeken in opdracht van het ministerie van VWS hoe de NHG-standaarden aangepast moeten worden. Volgens hen verschillen etnische groeperingen in de mate waarin ze bepaalde ziektes krijgen, in hun reacties op medicijnen, ervaring van ziekte, ziektegedrag en gedachten over het ontstaan van ziektes.

Deze verschillen, die wetenschappelijk zijn aangetoond, zijn nauwelijks terug te vinden in de huisartsenstandaarden. [Vervolg HUISARTSEN: pagina 2]

HUISARTSEN

Etnische verschillen al bewezen

[Vervolg van pagina 1] Vergeleken met Amerikaanse, Canadese en Engelse richtlijnen voor huisartsen maken de standaarden van het Nederlands Huisartsen Genootschap relatief weinig melding van etnische verschillen. De wetenschappers van de Erasmus Universiteit bestudeerden voor hun onderzoek de NHG-standaarden voor diabetes, hypertensie en astma, aandoeningen waarvan wetenschappelijk is aangetoond dat ze bij bijvoorbeeld Surinaamse, Hindoestaanse, Marokkaanse en Turkse patiënten vaker voorkomen dan bij autochtonen.

Een van de mogelijke verklaringen waarom NHG-huisartsenrichtlijnen relatief weinig melding maken van etnische verschillen, is dat voor deze verschillen weinig Nederlands wetenschappelijk bewijs is geleverd. In de Verenigde Staten en Engeland is dat er wel. Volgens de Rotterdamse onderzoekers is ,,negeren van dit bewijs een verspilling van kennis''. Het verschil tussen een `Afro-American' en een Creoolse Surinamer, of het verschil tussen een `South-Asian' en een Hindoestaan uit Nederland is volgens hen marginaal genoeg om het Amerikaanse bewijs in de standaarden over te nemen.

Een andere mogelijke verklaring voor het ontbreken van deze informatie in de standaarden is dat het benadrukken van etnische verschillen tussen patiënten lange tijd niet wenselijk geacht werd. Volgens Bruijnzeels en Manna dienen naast etnische verschillen ook leeftijd en geslacht aandacht te krijgen in de standaarden.

    • Esther Rosenberg