Finland weet het beter

Finlands keuze voor de kenniseconomie werd uit nood geboren, maar is een succes gebleken. Overheid, bedrijfsleven en universiteiten slaan de handen ineen om de Finnen nóg beter op te leiden en kennis en producten beter aan elkaar te koppelen. Een voorbeeld voor Nederland?

De laatste maanden toont het Nederlandse bedrijfsleven zich steeds bezorgder over de staat van de Nederlandse kenniseconomie. Onlangs begonnen Akzo Nobel, DSM, Philips, Shell en Unilever zelfs een eigen onderwijsproject om jongeren te interesseren voor techniek, uit onvrede met het Nederlandse onderwijs. Finland wordt vaak genoemd als een schoolvoorbeeld voor Nederland. Het land groeide de afgelopen twintig jaar uit tot een kenniseconomie. In 1980 waren hout en papier nog de belangrijkste exportproducten, goed voor 45 procent van de Finse uitvoer; elektronica was goed voor 4 procent. In 2000 was elektronica met 31 procent de grootste exportsector, terwijl hout en papier waren gedaald tot 25 procent.

De Finse overheid heeft zich actief ingezet voor deze transformatie. Met succes: Finland is sinds het midden van de jaren negentig een van de snelst groeiende economieën van de EU.

De kiem van de Finse kenniseconomie ligt in de economische crisis begin jaren tachtig. Anders dan Nederland, dat via het Akkoord van Wassenaar de oplossing zocht in loonmatiging, ging Finland investeren in onderwijs, onderzoek en nieuwe technologie. De achterliggende gedachte was eenvoudig: een hoogopgeleide bevolking verhoogt de kans op vernieuwend Fins onderzoek, dat in combinatie met ondernemerschap de kans verhoogt dat bestaande én nieuwe Finse bedrijven zich kunnen meten met de wereldtop. De eerste resultaten werden tien jaar later zichtbaar en bleken de redding van de economie te zijn toen de traditionele afzetmarkt in de Sovjet-Unie instortte. Een paar jaar lang liep de werkloosheid snel op: één op de vijf Finnen was werkloos. Het land kwam die klap midden jaren negentig al te boven, vooral dankzij de banengroei in hightech-sectoren, met Nokia als vlaggenschip.

Voor het uitwerken en bewaken van de nieuwe strategie werd in 1985 de Science and Technology Policy Council (STPC) ingesteld, waar de politiek aan tafel zit met vertegenwoordigers van bedrijfsleven, vakbonden, onderwijsinstellingen en universiteiten. Vanuit het kabinet zijn de president en de ministers van Onderwijs, Economie en Financiën erbij, eventueel aangevuld met andere ministers om de coalitieverhoudingen recht te doen. Manuel Castells, hoogleraar sociologie aan de Universiteit van Californië, en Pekka Himanen, directeur van het Berkeley Center for Information Society, schrijven in hun nieuwe boek The Information Society and the Welfare State: the Finnish Model (2002, Oxford University Press) dat de STPC een cruciale rol speelde en nog steeds speelt: ,,Het belangrijkste verschil met andere landen is dat in Finland wetenschap en technologie gezamenlijk worden behandeld, in dezelfde raad.'' De autoriteit van de STPC is onomstreden, al was het alleen al dat de president de – actieve – voorzitter is. STPC-secretaris Esko-Olavi Seppälä: ,,Als de president er niet is, vergadert de raad niet. Zo simpel is het.''

Het zware politieke commitment beperkt de ruimte voor ambtelijke sabotage. In Nederland woedde medio jaren negentig een loopgravenoorlog tussen het ministerie van Milieubeheer en het ministerie van Economisch Zaken over de uitwerking van het milieubeleid. Op hoofdlijnen gemaakte afspraken tussen ministers werden onderwerp van een felle ambtelijke interpretatiestrijd, wat de uitvoering sterk vertraagde. In Finland lijkt dit gedrag veel minder voor te komen. Seppälä: ,,Finland is een klein land en we kunnen het ons niet permitteren om energie te verspillen aan onderlinge competitie. Wij Finnen werken samen.'' De sfeer van `samen de schouders eronder' klinkt als Nederland in de jaren van de wederopbouw.

De transformatie van Finland tot een hoogwaardige kenniseconomie is niet zonder slag of stoot verlopen. Nog steeds is zo'n 9 procent van de Finnen werkloos, veelal oudere mensen met een lage opleiding. Het is zeer de vraag of zij ooit nog aan het werk zullen komen. ,,Terugkijkend benadrukt iedereen de positieve kanten'', zegt Seppälä, ,,maar destijds moesten we een aantal zeer drastische maatregelen nemen om onze samenleving te moderniseren. We hadden geen keus.''

Ook zijn er grote ruimtelijke effecten. In hun boek laten Castells en Himanen zien dat de economische groei zich concentreert rondom universiteitssteden. In de regio's rond Helsinki, Tampere, Oulu en Turku groeit de bevolking, terwijl de landelijke gebieden te kampen hebben met een teruglopende en vergrijzende bevolking en een stagnerende arbeidsmarkt.

Het Finse model staat of valt met een goed opgeleide bevolking. Arvo Jappinen, Finlands hoogste onderwijsambtenaar: ,,De enige manier om in de toekomst succesvol te zijn is door te investeren in onderwijs en onderzoek. Volgens OECD-onderzoek is het Finse onderwijs het beste van de wereld. Maar we voelen ons daar wat ongemakkelijk bij, want we weten dat het nog veel beter kan. Om te beginnen bedraagt de uitval in het voortgezet onderwijs nog altijd 7 procent. Die klein groep krijgt veel aandacht, omdat Finland een inclusieve kenniseconomie wil. Onderwijsuitval leidt tot sociale uitsluiting en dat is voor ons onacceptabel.''

Nederlandse problemen als een groot tekort aan leraren en achterstallig onderhoud aan schoolgebouwen zijn in Finland niet aan de orde. ,,Het beroep van docent staat in aanzien, mede omdat alle docenten een universitaire opleiding achter de rug hebben'', legt Jappinen uit. ,,Wel bestaat het gevaar dat veel docenten vervroegd met pensioen gaan omdat het werk zwaar is. Een ander probleem is dat onze docenten zo goed opgeleid zijn dat ze veel kansen op de arbeidsmarkt hebben. De kunst is dus om te zorgen voor goede arbeidsvoorwaarden.''

De financiering van het lager en voortgezet onderwijs is een taak van gemeenten, die ook verantwoordelijk zijn voor het heffen van belastingen. Jappinen en zijn mensen op het onderwijsministerie kunnen zich dus beperken tot het stellen van kwaliteitscriteria en het geven van vernieuwingsimpulsen. Zo krijgt elke Finse leraar een uitgebreide ICT-cursus voordat er grootschalig ICT in de klassen wordt geïntroduceerd.

Ook vindt het ministerie dat het aantal leerlingen dat doorstroomt naar hbo en universiteiten omhoog moet. ,,Wij streven ernaar dat 70 procent hoger onderwijs volgt. Van degenen die nu op school zitten is het ongeveer 40 procent.'' Die huidige generatie moet daar wel hard voor werken, want het Finse hoger onderwijs kent een selectiesysteem met toelatingsexamens. Voor de beste opleidingen is het aantal aanmeldingen vele malen hoger dan het aantal beschikbare plaatsen. Aan de andere kant is er geen financiële drempel om onderwijs te volgen. Het onderwijs is gratis, ook voor hogescholen (`Polytechnics') en universiteiten.

Tweede pijler onder de Finse kenniseconomie is het onderzoek aan universiteiten en kennisinstellingen. Anders dan in Nederland, waar het aantal studenten techniek al jarenlang daalt, kiest ruim een kwart van de studenten voor een technische opleiding. Het resultaat is een internationaal gezien uitzonderlijk hoog percentage mensen met een hoge technische opleiding, waardoor er een brede basis is voor het selecteren van goede technische onderzoekers.

De samenwerking tussen Finse universitaire onderzoekers en het bedrijfsleven is zeer intensief in vergelijking met het buitenland. Bijna de helft van de Finse bedrijven laat onderzoek doen door universiteiten. Die samenwerking is niet alleen financieel aantrekkelijk voor de universiteiten, ook weten ze daardoor (veel beter dan hun Nederlandse collega's) wat er speelt binnen bedrijven. Omgekeerd zijn bedrijven vroeg op de hoogte van nieuwe onderzoeksresultaten, die dan ook snel kunnen worden toegepast in het productieproces. En dat levert uiteraard een concurrentievoordeel.

Castells en Himanen wijzen daarnaast op wat zij noemen citizen innovation. Zo heeft Finland een levendige hackersscene, die volop experimenteert en de sociale mogelijkheden van het internet onderzoekt. De basis voor het besturingssysteem Linux werd gelegd door de Finse hacker Linus Thorvalds. Mede dankzij de hackers loopt Finland voorop in het gebruik van ICT, zowel maatschappelijk als economisch.

In de kenniseconomie zijn universiteiten niet alleen onderwijs- en onderzoeksinstellingen, het zijn ook de broedplaatsen van nieuwe ondernemingen. Finland heeft een voorbeeld genomen aan Stanford University in het hart van Silicon Valley. De studenten Hewlett en Packard begonnen er het gelijknamige bedrijfje en ook bedrijven als SUN (Stanford University Network) en Yahoo! zijn op de campus ontstaan. Stanford heeft deze ontwikkeling actief gestimuleerd door startkapitaal vanuit het bedrijfsleven aan te trekken en door scienceparks te stichten zodat bedrijven zich op de campus kunnen vestigen.

De Finnen hebben deze aanpak omgezet in een Finse vorm van ondernemende wetenschap. De meeste universiteiten hebben een scoutbureau, dat voortdurend bijhoudt welke onderzoekers waar mee bezig zijn en hoe ze vorderen. Deze bureaus zijn ook kennismakelaars: ze kennen mensen bij alle belangrijke bedrijven in de regio en weten welke problemen daar spelen. Door de goede contacten kan het bureau kersverse oplossingen uit onderzoek koppelen aan actuele vragen uit het bedrijfsleven. De Finse universiteiten zijn dus grote broedplaatsen, in het bijzonder voor nieuwe technologiesectoren. Zo zijn er in Finland inmiddels zo'n 3.000 ICT-bedrijven en zijn er al 300 jonge biotechnologiebedrijven begonnen. Tussen het wereldsucces van Nokia en de starters in hun broedplaatsen staan bedrijven als Suunto (fabrikant van duikcomputers), Polar (marktleider voor hartslagmeting) en IT-bedrijf TietoEnator met ongeveer 10.000 werknemers.

Ieder jaar ontstaan er bijvoorbeeld aan de Helsinki University of Technology (HUT) zo'n 25 nieuwe bedrijven. Zo'n 80 procent ervan wordt dankzij ondersteuning ouder dan vijf jaar – internationaal gezien een erg hoog percentage.

Een daarvan is Rex Partners, in 1999 opgericht door de tweeling Jyrki en Kai Koskinen. Rex maakt nu met acht werknemers software om de personeelsroosters te plannen voor bedrijven met een sterk fluctuerende personeelsbehoefte, zoals callcenters, helpdesks, restaurants en reisbureaus. Jyrki: ,,Het begon per ongeluk. Ik werkte bij een IT-bedrijf en kreeg het verzoek een winkelketen te helpen zoeken naar geschikte software voor de personeelsroosters. Die bleek niet op de markt te zijn, dus toen ben ik het zelf maar gaan maken. Vervolgens bleken veel meer bedrijven er behoefte aan te hebben.'' Het helpt dat ze in een omgeving zitten die er alles aan doet om starters op weg te helpen. ,,Gewoon een kantoor inrichten zonder grote kosten en langlopende huurcontracten, dat scheelt al zoveel. Verder is het goed om hier te zitten bij het zoeken naar financiers en klanten.'' Er zijn plannen in de maak om te verhuizen, want de afgelopen maanden is er een aantal grote klanten bijgekomen.

Petro Suvanto van het scoutbureau van de HUT: ,,Voor wetenschappers is het een grote overgang naar het leren ondernemen. Wij helpen ze daarbij. Contracten opstellen, helpen met leningen en klanten zoeken, licenties aanvragen, intellectueel eigendom regelen. Als het ons lukt om 1 procent van de studenten een onderneming te laten beginnen, creëert dat een sneeuwbaleffect met een immense impact.'' Overigens gelooft hij niet in het voorspellen van winnaars. ,,Wie van onze bedrijven in de toekomst succesvol zal zijn? Daar kunnen we geen zinnig woord over zeggen. Wij creëren alleen het klimaat. Niemand had tien jaar geleden kunnen voorzien dat Nokia zo succesvol zou zijn.''

De Finnen hebben grote vooruitgang geboekt op het gebied van onderzoek en ontwikkeling, de vierde pijler van de kenniseconomie. In 1985 waren de Finse O&O-uitgaven 1,6 procent van het bbp, in 2001 was dat 3,6 procent. Bijna driekwart van dat bedrag komt voor rekening van het Finse bedrijfsleven. De overheidsbijdragen zijn gereserveerd voor de verdere ontwikkeling van innovaties die kansrijk zijn voor de exportmarkt. Als er universiteiten in betrokken zijn, kan de overheidsbijdrage oplopen tot 70 procent. Dat verklaart het grote verschil tussen Nederland en Finland als het gaat om de samenwerking tussen bedrijven en universiteiten.

De overheidsfondsen voor innovatie worden beheerd door het onafhankelijke agentschap Tekes, dat in 1983 werd opgericht om de concurrentiekracht van het Finse bedrijfsleven te versterken. Directeur strategie Jari Romanainen: ,,Dankzij de subsidies weten we precies wat er speelt in de bedrijven en op de universiteiten. We kunnen regelmatig dwarsverbindingen leggen die nieuwe kansen opleveren. Sowieso is er door onze technologieprogramma's bij bedrijven een cultuur ontstaan om bij nieuwe projecten meteen contact te zoeken met de universiteiten. Bovendien zijn veel van onze mensen technologische experts. Ondernemers verwachten een bureaucraat, maar in plaats daarvan krijgen ze volledig betrokken Tekes-expert. Dat werkt een stuk prettiger.''

Volgens Errki Ormala, directeur strategie van Nokia, staat zijn bedrijf in veel opzichten symbool voor de ontwikkeling van Finland. Tien jaar geleden was Nokia nog een industrieel conglomeraat dat klassieke Finse producten als hout en papier produceerde. Net als het land zelf dreigde het bedrijf failliet te gaan. In een ultieme reddingspoging werden in 1992 vrijwel alle divisies afgestoten en richtte het bedrijf zich volledig op mobiele telefonie. Een gouden greep: anno 2003 is Nokia wereldleider in mobiele telefonie, met een marktaandeel van bijna veertig procent. Ormala: ,,Ongeveer 1 procent van het Finse bbp gaat naar ICT-gerelateerd onderzoek en daar plukt onder andere Nokia de vruchten van. Zonder de inspanningen van de overheid was Nokia nooit geweest wat het nu is.''

    • Frans Nauta