Europese hof voor de mensenrechten `moet hervormen'

Herziening van de werkwijze van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens in Straatsburg is ,,urgent en noodzakelijk'' wil het hof geen slachtoffer worden van zijn eigen succes.

De president van het hof, Luzius Wildhaber, heeft dat gezegd in een toelichting op het voorlopige overzicht van het hof over 2002 dat begin deze week verscheen.

Daaruit blijkt dat het hof kampt met een groeiende achterstand in de behandeling van klachten over vermeende schending van het Europese Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) van de Raad van Europa.

Bij de Raad van Europa, die in 1949 werd opgericht, zijn 44 Europese landen aangesloten. De Raad heeft een unieke rechtsgang ontwikkeld voor de behandeling van klachten van lidstaten of individuele burgers die van mening zijn dat een lidstaat het EVRM-verdrag schendt.

Het in 1959 opgezette Europese Hof voor de Rechten van de Mens in Straatsburg staat los van de Europese Unie, dat in Luxemburg over een eigen Hof van Justitie beschikt. Dat hof waakt over de uitleg en toepassing van de EU-verdragen en de daarvan afgeleide verordeningen en richtlijnen.

Vorig jaar werden bij het hof in Straatsburg 30.828 klachten ingediend, bijna net zo veel als in het jaar daarvoor (31.171). Op dit moment zijn bij het hof ruim 29.400 in behandeling.

De meeste klachten kwamen vorig jaar uit Polen (4.173), Rusland (4.006), Turkije (3.036) en Frankrijk (2.789). In totaal werden 577 klachten niet-ontvankelijk verklaard (739 in 2001). Het aantal vonnissen daalde van 889 in 2001 naar 844 vorig jaar. De meeste veroordelingen werden uitgesproken tegen Italië, op afstand gevolgd door Frankrijk, Turkije, Groot-Brittannië en Roemenië.

Voor herziening van de werkwijze van het hof bestaan verschillende opties, variërend van de instelling van een nieuwe hofsectie, de vereenvoudiging van de procedure, het samenvoegen van vergelijkbare zaken tot het filteren van ongegronde klachten.

President Wildhaber herhaalde zijn pleidooi voor toetreding van de EU als instelling tot het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens. Dat zou volgens hem de harmonistatie van de jurisprudentie in de afzonderlijke EU-landen ten goede komen.